RaboResearch - Economisch Onderzoek

Duits regeerakkoord: ‘Grote coalitie’ zonder grootse plannen

Themabericht

Delen:

Na tweeëneenhalve maand onderhandelen is op woensdag 27 november een voorlopig regeerakkoord gepresenteerd door de ‘Grote Coalitie’ van CDU, CSU en SPD. Om het kabinet Merkel-III nog voor de kerst te presenteren, moeten de leden van de SPD (tussen 6 en 12 december) er nog mee instemmen.

Het 185 pagina’s tellende voorlopige regeerakkoord toont weinig visie. De nadruk ligt op binnenlands beleid, waarbij alle partijen hun stokpaardjes hebben verkregen (SPD: minimumloon; CDU: geen belastingverhoging; CSU: tol voor buitenlanders). Waar het huidige gunstige economische klimaat in Duitsland een mooi moment biedt om het land voor te bereiden op de toekomst, worden sommige hervormingen juist (gedeeltelijk) teruggedraaid. Voor wat betreft de Europese beleidskoers blijft Berlijn juist hameren op structurele hervormingen in individuele lidstaten en het op orde krijgen van de overheidsfinanciën. Ook heeft de coalitie zich duidelijk uitgesproken tegen elke vorm van centrale financiering van de Europese staatsschulden.

Zoals verwacht maakt de nieuwe coalitie geen wezenlijk nieuwe beleidskeuzes en lijkt Merkel-III qua koers weinig anders te worden dan haar beide voorgangers.

Concurrentiekracht blijft heilig

Het regeerakkoord benadrukt de centrale rol van de Duitse industrie als motor van de economie. De internationale concurrentiepositie van Duitsland blijft daarmee heilig. De kritiek op het Duitse economische model die recent zowel vanuit het binnenland (onder andere de ‘Sachverständigenrat’, de zogenaamde ‘Vijf Wijzen’) als vanuit het buitenland (de Europese Commissie (EC)) is geuit, wordt hiermee terzijde geschoven. De EC voegde Duitsland onlangs toe aan de lijst met landen voor een diepgaande evaluatie vanwege het grote overschot op de lopende rekening (zie Rabobank Blog ‘Verbetert het waarschuwingsmechanismeverslag 2014 de economische herbalancering?’). De EC onderzoekt of dit overschot enkel het resultaat is van zijn sterke concurrentiepositie of (ook) van een zwakke binnenlandse vraag.

Arbeidsmarkt

In het licht hiervan is de invoering van een minimumloon van EUR 8,50 een stap in de goede richting. Tegelijkertijd draait de nieuwe regering de arbeidsmarkthervormingen van 2003 gedeeltelijk terug door grenzen te stellen aan het langdurig in dienst hebben van uitzendkrachten. Behalve dat uitzendkrachten in de toekomst eerder een vast contract aangeboden moeten krijgen, moet ook hun beloning sneller op het niveau van vaste werknemers liggen. Aangezien beide maatregelen de koopkracht van de minst verdienende huishoudens verbeteren, kan dit de consumptie en daarmee de binnenlandse vraag versterken.

Duitse economen wijzen er vaak op dat beide maatregelen kunnen leiden tot een hogere werkloosheid. Op korte termijn verwachten wij dat dit echter niet het geval is, aangezien de arbeidsmarkt nu nog erg krap is (zie Rabobank Economic Update: ‘Germany: steady as she goes’). Bovendien wordt het minimumloon gefaseerd ingevoerd, waarbij uitzonderingen zijn toegestaan tot 2017. Deze uitzonderingen zullen zich voornamelijk richten op werknemers in de op het binnenland gerichte dienstensector (zoals in de horeca en de schoonmaak). In de exportindustrie verdienen de meeste werknemers namelijk al meer dan het minimumloon. Op lange termijn kan het grotendeels verdwijnen van de flexibele schil in de Duitse arbeidsmarkt wel leiden tot kostenbeheersingsproblemen voor bedrijven in economisch slechtere tijden.

Energiebeleid

Ook in het beleid voor de energievoorziening blijft de concurrentiepositie van het Duitse bedrijfsleven centraal staan. Vooral omdat er nog sprake is van een eenduidige financiering van groene energie in de gehele eurozone. De wens om de energievoorziening groener en duurzamer te maken (de ‘Energiewende’) blijft echter bestaan. Ook blijft 2022 het jaar waarin alle Duitse kerncentrales moeten zijn uitgeschakeld. Het pijnpunt is de betaalbaarheid van de Energiewende. In het huidige systeem betalen huishoudens een extra energiebelasting waarmee de opwekking van duurzame energie wordt gesubsidieerd. Producenten van groene energie krijgen hier nu een vaste prijs voor, ongeacht de prijzen voor de ‘grijze’ energie in de markt. Het regeerakkoord stelt voor om de subsidie afhankelijk te maken van marktprijzen en deze geleidelijk af te bouwen.

De nieuwe Duitse regering wil de bescherming van de concurrentiepositie van het Duitse bedrijfsleven echter niet veranderen. De industriële grootverbruikers blijven dus vrijgesteld van de energiebelasting. Maar men wil de huidige vrijstelling wel toetsen aan Europese criteria en waar nodig aanpassen als tegemoetkoming aan de Europese Commissie. De kosten van de vergroening van de Duitse energievoorziening blijven daardoor bij de consumenten liggen. En de internationale concurrentiepositie van het Duitse bedrijfsleven wordt hiermee duidelijk verheven boven de kracht van de binnenlandse bestedingen.

Buitenlands economisch beleid

Ook in het buitenlands beleid staat het bevorderen van export centraal. Het belangrijkste doel van het Duitse presidentschap over de G8 in 2015 wordt het om economisch beleid wereldwijd beter te coördineren en meer vrijhandelsverdragen af te sluiten. Hierbij wordt expliciet gesproken over de wens om de huidige ronde van onderhandelingen (Doha-ronde) binnen de Wereldhandelsorganisatie (WTO) af te ronden en meer bilaterale vrijhandelsovereenkomsten te sluiten. Expliciet wordt een verdrag tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten genoemd. Dit zou niet alleen positief zijn voor Duitsland, maar voor de gehele Europese Unie en voor de zeer open Nederlandse economie in het bijzonder (zie Rabobank Economic Report: ‘Sneller mondiaal economisch herstel: herbalancering en handelsliberalisering’).

Uitdagingen voor de lange termijn blijven bestaan

De zwakke binnenlandse vraag van Duitsland wordt niet alleen gekenmerkt door een relatief lage consumptie, maar ook door een laag investeringsvolume. De investeringsquote als percentage van het BBP is al jaren lang een van de laagste van de eurozone. Gedeeltelijk komt dit door de geringe private investeringen vanwege een relatief hoge reële rente (dit als gevolg van een lagere inflatie dan gemiddeld in de eurozone en de uniforme nominale eurorente). Tegelijkertijd hebben de voorgaande kabinetten Merkel bespaard op publieke investeringen om de begroting in balans te krijgen. Positief is daarom de wens van de ‘Grote Coalitie’ om de investeringsquote (privaat en publiek) te verhogen naar een niveau hoger dan gemiddeld in de OESO-landen. Op het gebied van publieke investeringen wordt extra geld vrijgemaakt voor investeringen in onderwijs, onderzoek en infrastructuur. Voor extra onderzoek buiten de universiteiten om wordt EUR 3 miljard (0,1%-BBP) vrijgemaakt. Hierbij is het doel om het innovatieve karakter van de Duitse industrie te verstevigen. Om achterstallig onderhoud in de infrastructuur weg te werken wordt EUR 5 miljard (0,2%-BBP) gereserveerd. Gedeeltelijk zal dit moeten worden gefinancierd met een verhoging van de tol voor vrachtwagens en de invoering van tol voor buitenlandse auto’s voor de Duitse snelwegen (in de vorm van een vignet). Dit laatste is overigens lastig in te voeren, aangezien het moet voldoen aan de Europese wet- en regelgeving en de binnenlandse eis dat het de lasten voor Duitse automobilisten niet mag verhogen.

Op het vergrijzingsvraagstuk zet Duitsland eerder een stap achteruit dan vooruit. De pensioengerechtigde leeftijd wordt namelijk verlaagd naar 63 jaar als een werknemer op die leeftijd 45 arbeidsjaren heeft gewerkt. Op termijn zal deze grens wel geleidelijk worden verhoogd naar 65 jaar (in hetzelfde tempo waarmee de algemene pensioengerechtigde leeftijd van 65 naar 67 wordt verhoogd). Tevens wordt voor het staatspensioen een ondergrens ingesteld van EUR 850 per maand, om te voorkomen dat ouderen in armoede moeten leven. Op dit moment is het staats­pen­sioen namelijk afhankelijk van het gemiddelde inkomen, waardoor mensen met laagbetaalde banen of zij die voor een lange tijd werkloos zijn geweest ook een laag pensioen krijgen. Tevens wordt de ‘Mütterrente’ (extra pensioen voor moeders die niet hebben kunnen werken vanwege de opvoeding van een kind) uitgebreid. Deze maatregelen kunnen leiden tot een sterkere consumptie, aangezien de baten terechtkomen bij de lagere inkomens die doorgaans een hogere consumptiequote kennen.

Het financiële hoofdstuk van het regeerakkoord is weinig helder. In het akkoord staat de wens dat de tekort- en schuldcriteria uit het Stabiliteits- en Groeipact strikt worden nageleefd. De Duitse regering wil de overheidsschuldquote binnen tien jaar terugdringen van 81% (eind 2012) naar onder de 60%, en eind 2017 moet de schuld al onder de 70%-BBP liggen. Hierbij moet er in 2014 sprake zijn van een structureel begrotingsevenwicht en is het doel om vanaf 2015 geen nieuwe schuld meer aan te gaan. Om deze doelen te bereiken, mag de regering de overheidsuitgaven niet sneller laten toenemen dan de groei van het BBP, waarbij de nadruk van die uitgavengroei moet liggen op meer investeringen en minder consumptieve uitgaven. Het totale pakket aan maatregelen die in het regeerakkoord zijn aangekondigd, wordt geschat op EUR 23 miljard. Het is onduidelijk hoe deze maatregelen zullen worden gefinancierd. Of er moet worden gesneden in andere overheidsuitgaven, of er moet meer belasting worden opgehaald.

Europese koers blijft ongewijzigd

Met betrekking tot de eurozone blijft de beleidskoers vanuit Berlijn vrijwel ongewijzigd. Waar binnen Duitsland de belangrijkste hervormingen van de afgelopen jaren worden afgezwakt of teruggedraaid (zowel op het gebied van arbeidsbeleid als op dat van pensioenen), blijft in de Europese beleidskoers de nadruk liggen op structurele hervormingen en een strikte consolidatie van de overheidsfinanciën. Hiervoor moet er strikt worden toegezien op de tekort- en schulddoelstellingen uit het Stabiliteits- en Groeipact. De door velen gehoopte Duitse ommezwaai van bezuinigingsbeleid naar meer aandacht voor het genereren van economische groei is daarmee uitgebleven. Ook stelt Duitsland voor om lidstaten een contract te laten afsluiten met de Europese instanties over de in te voeren hervormingen. Om groei op lange termijn te bevorderen, stelt het aanstaande Duitse kabinet voor om de Europese investeringsbank (EIB) en de EU-begroting (onder meer het structuurfonds) in te zetten om te investeren in de Europese infrastructuur. Ook zou de EIB in combinatie met nationale investeringsbanken moeten zorgen voor kredieten voor het midden- en kleinbedrijf.

Het Europese crisismanagement moet gericht zijn op het wegnemen van de wederzijdse afhankelijkheid tussen banken en nationale overheden. Dit houdt in dat Duitsland achter de verdere implementatie van de bankenunie staat. Deze bestaat uit drie onderdelen, namelijk gemeenschappelijk toezicht, een uniform resolutiemechanisme met een gemeenschappelijk resolutiefonds en een gemeenschappelijk depositogarantiestelsel (zie Rabobank Special ‘Bankenunie: implicaties voor de Europese bankensector’). Bij het saneren en afwikkelen van banken moet een duidelijke rangorde van aansprakelijkheid zijn, waarbij bail-in consequent moet worden toegepast om daarmee belastingbetalers te sparen. Duitsland is een voorstander van een uniform resolutiemechanisme voor systeemrelevante banken in de eurozone en een daarbij behorend Europees resolutiefonds. Banken moeten dit laatste volledig financieren naar rato van omvang, systeemrelevantie en risicoprofiel. Totdat een dergelijk fonds gevuld en operationeel is, blijven de nationale overheden verantwoordelijk voor de kosten van de afwikkeling van een bank. Alleen wanneer de financiële positie van de lidstaat dit niet toestaat, is er hulp vanuit het ESM mogelijk. In de overgangssituatie kan de herkapitalisatie van banken uit het ESM plaatsvinden tot een maximum van EUR 60 miljard. Dit dient wel te gebeuren met de nodige conditionaliteit en pas als alle andere middelen (inclusief een indirecte ESM herkapitalisatie via de lidstaat) zijn uitgeput.

Ook neemt de nieuwe Duitse regering een duidelijke positie in ten opzichte van financiële handelsactiviteiten. Deze moeten strenger worden gereguleerd en transacties moeten in nauwe samenwerking met de Europese Unie worden belast met een financiële transactiebelasting (FTT) (zie Rabobank Themabericht ‘Financiële transactiebelasting: stabiliserend of ontregelend?’). Ook is de coalitie voor een volledige invoering van de aanbevelingen van het Liikanen-rapport voor wat betreft de scheiding van zaken- en nutsbanken om daarmee het risico van handelsactiviteiten te beperken. Zoals beschreven in Rabobank Themabericht ‘Europese bankensector op de schop door Liikanen?’ zal een dergelijke scheiding ertoe leiden dat handelsactiviteiten alleen nog door enkele grote spelers kunnen worden uitgevoerd. Daarmee zullen de kosten van deze activiteiten, die door bedrijven gebruikt worden om bijvoorbeeld wisselkoersrisico’s van handelscontracten af te dekken, toenemen. Waar het doel van al deze maatregelen is om de financiële stabiliteit te vergroten, is het de vraag of de kosten hiervan voor de reële economie niet te groot zijn.

Op het gebied van overheidsfinanciën is de nieuwe Duitse regering een fel tegenstander van elke vorm van centrale financiering van staatsschulden in de eurozone. Volgens het regeerakkoord zijn een begrotingsbeleid in handen van nationale overheden en een supranationale garantiestelling onverenigbaar. Daarmee lijken alle plannen voor centrale financiering (zoals in de vorm van ‘Eurobonds’ of Euro T-Bills; zie Rabobank Special ‘Some thoughts on Euro T-Bills’) weer voor vier jaar in de ijskast te zijn gezet. Daarmee benut de nieuwe Duitse coalitie de mogelijkheid niet om de financieringsproblemen van de crisislanden weg te nemen en daarmee rust te creëren in de eurozone. En dat is jammer.

Delen:
Auteur(s)

naar boven