RaboResearch - Economisch Onderzoek

De bankenunie-boemerang

Column

Delen:

Als een boemerang geen doel treft, keert hij terug naar de werper. De politieke discussie rondom de oprichting van een bankenunie doet mij sterk denken aan zo’n boemerang. De belangrijkste reden van de worp vormen de zogenaamde ‘legacy assets’: de verschillende financiële uitgangssituaties van bankensectoren in de lidstaten, waarbij nog niet geëffectueerde verliezen kunnen leiden tot aanzienlijke toekomstige herkapitalisaties. Om ervoor te zorgen dat een toekomstig Europees resolutiefonds alleen kan worden aangewend voor instellingen die op het moment van toetreding tot de bankenunie gezond zijn, pleiten diverse Noordelijke lidstaten voor een strenge toelatingstest door de ECB, beter bekend als de Asset Quality Review (AQR). Deze politieke boemerang komt echter zonder twijfel terug. Immers, de wens om de huidige bancaire rekening weg te houden bij partijen die geen enkele invloed hebben gehad op het ontstaan hiervan, leidt paradoxaal genoeg tot de situatie waarin deze rekening juist glashelder aan de oppervlakte wordt gebracht en een beroep op de Noordelijke lidstaten tot financiële hulp niet kan worden uitgesloten.

Over de oplossing voor tekortschietende banken zijn Europese afspraken gemaakt: deze banken zullen 1) proberen zelf kapitaal op te halen, 2) steun krijgen vanuit de desbetreffende lidstaat en 3) aankloppen bij het Europees Stabiliteits Mechanisme (ESM), waarbij € 60 miljard is geoormerkt voor directe herkapitalisaties. Dit lijkt zonneklaar, maar in de praktijk zien wij twee bezwaren. Ten eerste kan er bij stap 2 onduidelijkheid ontstaan over de mate van toepassing van ‘bail-in’: het afschrijven of omzetten in eigen vermogen van ongedekte vorderingen wanneer een bank afstevent op een faillissement. Immers, conform het huidige Europese regime voor staatssteun geldt een verplichte verliesdeelname tot en met achtergestelde obligatiehouders. Het gaat hier echter om een minimumvereiste en het staat lidstaten dus vrij om te kiezen voor een forsere toepassing van ‘bail-in’ om het beroep op publieke middelen te beperken. Het feit dat lidstaten dit op verschillende manier kunnen invullen, kan leiden tot onzekerheid bij investeerders. Ten tweede functioneert het ESM momenteel als laatste reddingsboei, in de wetenschap dat het gebruik van dit fonds wordt beperkt door financiële en politieke grenzen. Onder Noordelijke lidstaten bestaat er immers veel weerstand tegen een grootschalig beroep op dit fonds en aan het gebruik ervan zullen scherpe voorwaarden worden gesteld.

Wat te doen met een terugkerende boemerang? Aan beleidsmakers vooral de taak om meer duidelijkheid te creëren over de mate van ‘bail-in’ en het beroep op publieke middelen. Hierbij geldt: hoe minder men zich bedient van ‘bail-in’ des te meer publiek geld er zal moeten worden verstrekt aan tekortschietende banken, en vice versa. Dit is een politieke keuze. En uiteraard is dit kiezen tussen twee kwaden, aangezien ‘bail-in’ weliswaar het beroep op publiek geld kan verkleinen, maar ook een risico vormt voor de financiële stabiliteit. Dit laat onverlet dat het uitblijven van een keuze de slechtste optie is. Het leidt immers niet alleen tot bovengenoemde onzekerheid bij investeerders, maar heeft ook als gevaar dat een mogelijk substantiële kapitaalbehoefte niet op een krachtige manier zal worden ingevuld. Laten we niet doorgaan met de impliciete keuze die tot op heden is gemaakt: uitstel van de noodzakelijke opschoning van de Europese bankbalansen, met alle gevolgen van dien voor de kredietverlening en de reële economie. Laten we hopen dat deze boemerang kan aanzetten tot een echte keuze.

Delen:
Auteur(s)
Michiel Verduijn
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven