RaboResearch - Economisch Onderzoek

Van welvaart naar welzijn, kader en methodologie

Special

Delen:

Economische groei is niet waar het alleen om moet gaan in de samenleving. In een tijd dat de eco­nomie nauwelijks groeit, is dit ook geen gedachte om ons aan vast te houden. Vooruitgang is weliswaar belangrijk, maar dan gaat om veel meer dan alleen een stijgend inkomen en toenemende materiële welvaart. Bij deze constatering past de overstap naar een duurzamer groei­mo­del. De ont­wik­keling van een duurzame samenleving is een van de grootste uit­dagingen van de 21ste eeuw. 

Veel mensen denken dat een duurzame ontwikkeling alleen over het milieu gaat, maar het begrip is breder. Naast ecologische ontwikkelingen zijn economische en sociale ontwikkelingen van be­lang voor een duurzame samenleving. Bovendien gaat het niet alleen over de im­pact van ons gedrag op het hier en nu, maar ook over de impact op mensen die elders of later leven. Een ontwikkeling kan alleen duur­zaam zijn als wij onze kwa­liteit van leven op een zodanige manier vormgeven, zodat het welzijn van anderen niet wordt aangetast.

De ontwikkeling van een duurzame samenleving, wat houdt dat eigenlijk in? Bhu­­tan, een klein land hoog in de Himalaya, ging de Westerse wereld hierin voor. In plaats van de welvaart (het Bruto Nationaal Product) introduceerde de ko­ning het Bruto Nationaal Geluk als maatstaf voor de ontwikkeling van zijn land en inwoners. In zijn ogen leidt de eenzijdige nadruk op materiële welvaart niet per definitie tot een groter welzijn van de bevolking. Daarom dient niet het in­ko­men, maar het geluk van de bevol­king de leidraad in het overheidsbeleid te zijn. Het beleid van de koning stelt unaniem dat de ontwikkelingen in het land niet ten koste mogen gaan van cultuur, natuur en milieu en gezondheid. Het is de vraag of dit ook voor Nederland de juiste weg is. Maar een breder welvaarts­be­grip dan economische groei is een weg die we zeker moeten gaan (Van de Belt, 2012).

Maar hoe weten we hoe duurzaam onze samenleving is? Steeds vaker wordt de duurzame ont­wik­keling op nationaal niveau in kaart gebracht (zie bijvoorbeeld CBS et al, 2013). Over de duur­zaam­heid van regio’s binnen onze landgrenzen is echter weinig bekend, terwijl de regionale omgeving de directe leef- en acteer­omgeving van de bevolking omvat en daarmee rechtstreeks van invloed is op het welzijn. Om deze reden ontwikkelde Rabobank een duurzaamheids­mo­nitor voor Nederlandse COROP-regio’s [1] en gemeenten.

Door middel van de ontwikkeling van de duurzaamheidsmonitor wil Rabobank bijdragen aan de duur­zame ontwikkeling van Nederlandse regio’s. De monitor geeft een overzicht van de punten waarop regio’s, in vergelijking met andere regio’s, bovengemiddeld scoren en waar verbeteringsmogelijkheden liggen. De uitkomsten bieden hand­va­ten voor beleidsmakers, bedrijven en consumenten om het regionale duur­zaamheidsbeleid te evalueren en wellicht opnieuw vorm te geven zodat de kwa­liteit van leven van de huidige en toekomstige generatie kan worden verbeterd.

In deze Special wordt dieper ingegaan op het begrip duurzame ontwikkeling. Tevens wordt de gehanteerde methodologie uiteen gezet. We bespreken de gebruikte indicatorenset en de manier waarop wij de duurzaamheidsscores hebben berekend. In de Special 2013/09 ‘Van welvaart naar welzijn - Duur­zaamheid van veertig Nederlandse regio’s in kaart’ schetsen we een beeld van de duur­zaamheid van de Nederlandse COROP-regio’s.

Voetnoten

[1] ^ Nederland kent veertig COROP-regio’s (zie figuur in bijlage 1). Elke COROP-regio heeft een centrale kern met een omliggend verzorgingsgebied en blijft binnen de provincie­
gren­zen.

Duurzame ontwikkeling

Wat houdt het in?

Het begrip duurzame ontwikkeling staat steeds vaker in de belangstelling. Veel mensen den­ken dat een duurzame ontwikkeling alleen betrekking heeft op eco­logische ontwikkelingen, maar economische en sociale ontwikkelingen zijn ook van belang. Bovendien gaat het niet alleen over de impact die ons gedrag hier en nu heeft, maar ook over de impact die we hebben op men­sen die elders of later leven. In dit hoofdstuk schetsen we het conceptuele kader en gaan we in op de problemen waarop men stuit bij het in kaart brengen van duurzaamheid.

Conceptueel kader

Traditioneel gaat ontwikkeling over “wat arme landen moeten doen om rijker te worden” (WCED, 1987). Niet voor niets worden landen met een hoog BBP aangeduid als ontwikkelde landen, terwijl landen met een laag BBP wor­den gezien als ontwikkelingslanden. De ont­wikkeling van een maat­schap­pij hangt echter niet alleen af van de veranderingen in economische rijkdom, maar heeft ook be­trek­king op de so­ciale en ecologische ontwikkeling en de houd­baar­heid van deze ontwik­ke­lin­gen. Een ontwikkeling dient duurzaam te zijn.

De term duur­zaam­heid komt van oorsprong uit de eco­lo­gie. Binnen de ecologie gaat men er vanuit dat toe­kom­sti­ge generaties alleen van de natuur gebruik kun­­­nen blijven maken als deze op een zodanige ma­nier wordt beheerd, zodat voorraden niet uitgeput raken en natuurlijke systemen of processen niet on­her­stelbare schade wordt toegebracht. Gaandeweg heeft duurzaamheid een bredere strekking gekregen. Ge­du­rende de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw na­men de milieuproblemen toe. Dit leidde tot een groeiend besef dat de mens in de toekomst met milieu­pro­blemen zou worden geconfronteerd. In 1972 kon­dig­de de Club van Rome aan dat de gren­­zen van de groei aan het begin van de een­­en­twintigste eeuw zouden worden bereikt, wanneer de be­vol­kings­groei, de indus­tria­lisatie, de vervuiling, de voedselproductie en de uitputting van na­tuur­lijke hulp­­bron­nen in hetzelfde tempo zouden doorgaan (Meadows et al, 1972). Om aan dit doem­­­scenario te ontsnappen, moesten groei­trends worden omge­bo­gen. Hoewel de rap­porten niet onomstreden zijn en de voorspellingen in veel opzichten niet zijn uit­ge­komen, hebben ze wel bijgedragen aan het besef dat de draagkracht van de aarde eindig is.

De Com­mis­sie Brundtland definieerde voor het eerst het begrip duur­za­me ont­wik­keling, waar­­aan in de literatuur het vaakst wordt gerefereerd en wat wij zul­len hanteren. Volgens deze definitie omvat een duurzame ontwikkeling een ont­wikkeling “die tege­moet komt aan de noden van het heden zonder de behoef­te­voorziening van de ko­men­­de generaties in het gedrang te bren­gen” (WCED, 1987) [2]Dit impliceert dat de hui­dige generatie die hier leeft haar kwaliteit van leven op zo’n ma­nier moe­t vormgeven, zodat mensen elders in de wereld en toekomstige generaties ook een voldoende kwaliteit van leven hebben. Er dient zowel sprake te zijn van ge­lijkheid bin­nen als tussen generaties.

Bij duurzame ontwikkeling gaat het dus niet louter om economische duur­zaam­heid en/of ecologische duurzaamheid, maar ook om sociale duurzaamheid. Tus­­sen deze drie elementen van een duurzame ontwikkeling, be­staat een weder­ke­rige relatie (Duindam en Van de Belt, 2012). Natuurlijke hulpbronnen vormen bijvoorbeeld een input voor eco­nomische pro­duc­tie. Om goederen te kun­nen pro­­­du­ceren zijn fos­siele brandstof­fen nodig. Door de ontplooi­ing van econo­mi­sche activiteiten ontstaan tevens residuen, bijvoor­beeld in de vorm van afval of uit­stoot van broeikasgassen, die worden geabsor­beerd door de na­tuur. Ook tus­sen de eco­no­mische en sociale di­men­sie be­staan verbanden. Pro­duc­­tie leidt tot eco­no­mi­sche dien­sten die van invloed kunnen zijn op het sociale welzijn van men­­sen. Voorbeelden van zulke diensten zijn werk en in­­komen die van invloed zijn op de ma­teriële le­ven­sstan­daard, persoon­lijke acti­vi­teiten en econo­mi­sche en per­soon­lijke ­ze­ker­heid. Daar­­naast kan het so­ciale welzijn de econo­mi­sche acti­vi­teit beïn­vloeden. Door scho­­ling stijgt bijvoor­beeld de kwaliteit van men­­­­selijk ka­pi­taal, waar­door de arbeidsproduc­ti­viteit en de econo­mi­sche ac­ti­viteit toe­nemen. Ten slotte is er spra­ke van interactie tussen de eco­logische en sociale dimensie. De mate van vervuiling be­ïn­vloedt bijvoorbeeld de gezond­heid van men­­sen op een nega­tieve ma­nier, terwijl re­cre­a­tie­mo­ge­­lijkheden op een po­sitieve manier bij­dra­gen.

Box 1: Waarom het BBP niet langer voldoet

Welvaart omvat de mate waarin de oneindige behoeften van mensen door be­perkt beschikbare middelen kunnen worden bevredigd. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen welvaart in enge en in ruime zin. De welvaart in enge zin omvat de mate waarin een individu in zijn materiële behoeften kan voorzien. Het geeft weer in welke mate het verlangen naar goederen en diensten is ver­vuld. De behoeften van mensen zijn echter niet alleen materieel van aard. De wel­vaart in ruime zin houdt naast de materiële behoeften ook rekening met de im­materiële behoeften van mensen, zoals de kwaliteit van de leefomgeving. Aan­­gezien de welvaart in ruime zin veel kwalitatieve elementen bevat, is het las­tig te kwantificeren. Om deze reden wordt doorgaans gekeken naar de wel­vaart in enge zin. Ook in Nederland ligt hierop de nadruk.

Als indicator voor de hoogte van de materiële welvaart wordt vaak het bruto bin­nen­lands product (BBP) per hoofd van de bevolking genomen. In de af­gelo­­pen decennia is er een omvangrijke hoeveelheid literatuur ontstaan, waar­in wordt gewezen op de ge­bre­ken van het BBP. Globaal komt de kritiek erop neer dat er bij de be­re­kening geen onder­scheid wordt gemaakt tus­sen eco­no­mi­sche acti­vi­teiten die het welzijn van men­sen vergroten en eco­nomische activi­tei­ten die dat niet doen (Van de Belt, 2011a). Bij de berekening van het BBP wordt alleen rekening gehouden met eco­no­mi­sche activiteiten van consumenten, pro­du­centen en de overheid waar te­­genover een betaling in geld staat. Alle econo­mi­sche ac­ti­viteiten die niet in een geldbedrag (kunnen) worden uitgedrukt, zoals vrij­wil­li­gers­­werk, worden niet in de berekening van het BBP meegenomen en zijn let­ter­lijk ‘waardeloos’. Toch dragen deze activiteiten wel bij aan het welzijn van men­sen. Kuznets (1934), de ‘uitvinder’ van het BBP, waarschuwde hier al voor. Te­vens bestaan er voor veel ge­­produceerde goederen en diensten geen markt­prij­zen. Overheidsdiensten, zo­als gezondheidszorg, worden bijvoor­beeld mee­ge­no­men door de uitgaven aan deze diensten op te voeren. Het is de vraag of de uit­gaven een goede indicator zijn van het welzijn dat deze diensten opleveren. Ook is het de vraag of de uitgaven overeenkomen met de waarde die de maat­schap­pij aan de diensten hecht. Bij de vaststelling van het BBP wordt verder geen re­ke­ning gehouden met de ne­gatieve en positieve effecten van productie of con­sumptie. Zo is het ge­bruik van niet-her­nieuwbare grondstoffen in productie­pro­cessen niet van in­vloed op de hoogte van het BBP, terwijl er wel wordt ingeteerd op het ‘vermogen’ van de maat­schap­pij en er sprake is van ne­ga­tieve gevolgen voor het milieu. Ten ­slot­te wordt er bij het gebruik van het BBP impliciet vanuit gegaan dat consumptie en investeringen de­zelfde bijdrage leveren aan het wel­zijn van mensen. Op lange termijn zullen investeringen echter meer bijdragen aan het welzijn dan con­sump­tie.

De bovenstaande tekortkomingen maken duidelijk dat het onverstandig is om je blind te staren op de hoogte en ontwikkeling van het BBP, ook per capita. Een ge­waarschuwd mens telt voor twee, maar in de meeste landen jagen politici en beleidsmakers nog steeds economische groei na. Ook in Nederland wordt de eco­nomische discussie nog vaak beperkt tot een discussie over inkomen: de groei en de verdeling ervan. Maar voor Wes­ter­se landen, zoals Neder­land, is de focus op economische groei niet langer een passende strategie. Tegelijkertijd vormt een overstap naar een duurzamer groeimodel, waarin er aandacht is voor de economische, ecologische en sociale ontwikkeling, een grote uitda­ging die niet gemak­kelijk is te re­ali­seren (Duin­dam en van de Belt, 2012). Deze overstap impliceert weliswaar meer welvaart voor toekomstige generaties, maar gaat ten koste van welvaart van de huidige generatie.

Bepalen duurzaamheid geen sinecure

In de afgelopen jaren zijn er diverse methoden ontwikkeld om duurzaamheid be­ter in beeld te krij­gen. Gezien onze definitie van een duurzame ontwikkeling kie­zen wij ervoor om, evenals het CBS et al (2011), de ge­ïntegreerde bena­de­ring te han­te­ren. Binnen deze benadering wordt niet alleen gekeken naar de kwaliteit van leven van toekomstige generaties, zoals bij de toekomstgerichte benade­ring [3], maar ook naar de kwaliteit van leven van de hui­di­ge ge­neratie, zowel hier als elders. Stiglitz et al (2009) benadrukken dat deze drie aspecten van duur­za­me ont­wikkeling los van elkaar moeten worden bekeken. Om deze reden zullen we de kwa­­liteit van leven hier en later afzonderlijk van elkaar ana­lyseren. De kwa­­­liteit van leven elders laten we buiten beschouwing, omdat dit op re­gio­naal niveau zeer lastig te kwantificeren is. Nederland kent typische ‘woonregio’s’ en ‘werkregio’s’. Hierdoor vindt er een groot aantal stromen plaats tussen ver­schil­lende regio’s, zoals financiële stromen, goederenstromen en stromen van per­so­nen en is de impact van de ene op de andere regio groot.

Ook de kwantificering van de kwaliteit van leven hier en later is lastig. De kwa­li­teit van leven is een zeer breed begrip en subjectief, waardoor het moeilijk is om rand­voor­­waar­den te defi­nië­ren voor de kwa­liteit van leven nu en in de toekomst. Immers, om­stan­digheden die voor de ene persoon bij­dra­gen aan de kwa­li­teit van leven, kunnen voor een ander juist een negatieve im­pact heb­ben. Bovendien kunnen de voor­keuren van mensen door de tijd heen ver­­anderen. Factoren waaraan de huidige generatie waar­de hecht, hoeven niet noodzakelijkerwijs van belang te zijn voor toekomstige generaties. Een complicerende factor is dat we niet weten hoe de wereld er in de toekomst uit­ziet. Dit maakt het extra moeilijk om te be­oordelen of toekomstige generaties in hun behoeften kunnen voorzien.

Ondanks de breedte en subjectiviteit van het begrip ‘kwaliteit van leven’ zijn in het ver­leden diverse pogingen ondernomen om dit begrip aan de hand van ob­jec­tieve factoren in kaart te brengen [4]Hoewel de selectie van indicatoren is ge­ba­seerd op waar­de­oor­delen, identificeren Stiglitz et al (2009), op ba­sis van de econo­mi­sche literatuur, negen kern­dimensies die van belang zijn voor wel­zijn van de mensen die hier en nu leven. De­­ze negen kerndi­mensies, waarop in het volgende hoofdstuk dieper wordt ingegaan, omvatten 1) de ma­­te­riële levens­standaard, 2) eco­nomische on­­ze­ker­­heid, 3) ge­zondheid, 4) scho­ling, 5) per­soon­­lijke acti­viteiten inclusief werk, 6) poli­tie­ke stem en goed be­stuur, 7) sociale ver­ban­den en relaties, 8) mil­ieu en de leef­om­ge­ving en 9) per­soonlijke on­zeker­heid. Deze kerndimensies zijn onderling afhankelijk van elkaar. Ze zijn niet al­leen direct van invloed op de kwaliteit van leven, maar soms ook indirect via an­de­re kerndimensies. Bovendien is het niet altijd dui­delijk hoe de cau­­­saliteit ver­loopt. Is de kerndimensie nu van invloed op de kwa­liteit van leven of beïnvloedt de kwaliteit van leven de kerndimensie?

De kwaliteit van leven van toekomstige generaties is afhankelijk van de beschik­baarheid van hulpbronnen. De hoeveelheid hulpbronnen die een samenleving tot haar beschikking heeft, kan worden gemeten aan de hand van de totale kapi­taal­­­­­­voorraad (Atkinson et al, 2007). De omvang van de ka­pi­taal­voor­raad wordt bepaald door het sal­do van de toe­na­mes (investe­rin­gen), afnames (af­schrij­vin­gen) en her­waar­dering van hulp­bron­nen. Een toename van de totale kapitaalvoorraad leidt tot een verho­ging van het pro­ductie­po­tentieel en tot een toename van de consumptie­moge­lijk­he­den van toe­kom­stige ge­neraties. An­der­zijds vergt kapitaalgroei, af­ge­zien van kapitaalgroei door herwaarderingen, een initiële in­ve­stering, die ten koste gaat van de consumptie van de huidige ge­ne­ratie. De to­tale kapitaal­voorraad bestaat uit de eco­nomische, men­se­­­lijke, na­tuur­lijke en sociaal-culturele kapitaal­voorraad­. Hoewel we in het volgende hoofd­stuk dieper op deze kapi­taal­vormen ingaan, bespreken we hier kort de definities. Econo­misch ka­pi­taal omvat fy­siek kapitaal en ken­niskapitaal. Fysiek kapitaal, zo­als machines, gebouwen en we­gen, is nood­­za­kelijk om an­dere goe­de­ren en diensten te kun­nen pro­du­ceren of de pro­ductie ervan te fa­ci­li­teren. Ken­niskapitaal omvat de niet-fysieke compo­nent van het economische kapitaal. Ken­niskapitaal is, in tegenstelling tot men­se­lijk kapi­taal, niet belichaamd in de ar­beid die men­sen leveren. Het gaat over za­ken als tech­nologische ont­wik­keling en innovaties. Menselijk kapitaal om­vat “kennis, vaar­dig­­he­den en bekwaam­he­den belichaamd in indi­vi­duen, die re­le­vant zijn voor eco­nomische activiteit en die worden gevormd door onderwijs en train­ing” (Coté en Healy, 2001). Het gaat dus om de kwaliteit van arbeid. Natuurlijk ka­pi­­taal om­vat natuurlijke hulp­bron­nen die worden gebruikt als input in het pro­duc­tie­pro­ces en natuurlijke activa die eco­lo­gische diensten verschaf­fen. Van de vier kapitaal­vor­men is so­ciaal-cul­tureel kapitaal het minst ver ont­wik­keld. Hoe­wel het belang voor toekomstige ge­neraties wordt onderschreven, be­staat er geen eenduidige definitie. Bourdieu (1989) omschrijft sociaal kapitaal als het geheel van be­staan­de of potentiële hulp­bronnen die voortvloeit uit het be­zit van één of meer re­la­ties van onderlinge bekendheid en erkentelijkheid. Het gaat om zaken die het lidmaatschap van een bepaalde sociale groep met zich mee­bren­gen. Cul­tu­reel ka­pitaal om­vat het geheel van kennis, cog­ni­tie­ve vaar­dig­he­den en opleiding van een per­soon waarmee sociale pri­vi­leges ver­wor­ven, of be­hou­den kunnen wor­den.

Figuur 1: Conceptueel raamwerk

Figuur 1: Conceptueel raamwerk

Bron: Rabobank

Wij gaan er vanuit dat er spra­ke is van een duurzame ont­wik­keling als de totale kapitaal­voorraad op peil blijft (zwakke duurzaamheid) [5]. Een afname van één van de ka­pi­taalvormen kan dus worden gecompenseerd door een toename van één van de andere ka­pi­taal­vormen. Kapitaalvoorraden zijn substituten van elkaar.

Voetnoten

[2] ^ Naast onderzoek naar duurzame groei wordt er ook veel on­der­zoek gedaan naar groene groei, dat wil zeggen economische groei waarbij de gren­zen van de draagkracht van de aarde worden ge­res­pec­­teerd en er geen uitputting van grondstoffen plaats­­vindt (CPB, 2011a). Door­dat in deze de­fi­ni­tie geen rekening wordt ge­hou­den met so­cia­le aspecten, kan groene groei gepaard gaan met een afname van duurzame groei.

[3] ^ Binnen de toe­komst­gerichte benadering wordt gekeken of de huidige generatie vol­doen­­de hulpbronnen aan toekomstige generaties nalaat, zodat ook zij in hun behoeften kunnen voorzien en een voldoende kwaliteit van leven kunnen behalen.

[4] ^ In aanvulling op de objectieve kwaliteit van leven kan ook worden gekeken naar de ervaringen van individuen (subjectief welzijn).

[5] ^ Bij sterke duurzaamheid wordt er vanuit gegaan dat kapitaal­voor­raden complementen van elkaar zijn, waardoor de uit­put­ting van de ene voorraad over het algemeen niet kan worden gecompenseerd door een toename van een an­de­re voorraad.

Kwaliteit van leven nu

Bespreking van dimensies en indicatoren

De kwaliteit van leven hier en nu geeft een indicatie van het welzijn van de hui­dige generatie die hier leeft. Stiglitz et al (2009) identificeren negen kern­di­men­sies waarmee de kwaliteit van in kaart kan worden gebracht. In dit hoofdstuk bespreken we deze dimensies besproken en geven we aan welke indicatoren wij hebben ge­bruikt om een beeld van de dimensies te schetsen. Het feit dat de in­di­ca­to­ren zo­­wel op pro­vin­ciaal, COROP- als ge­meen­telijk niveau be­schik­­baar dienden te zijn, be­perk­te de keu­ze aan­­zien­lijk. Toch zijn wij er ons inziens in ge­slaagd om een goed beeld te geven van de kwaliteit van leven hier en nu. De precieze de­­fi­nities van de indicatoren zijn weer­­gegeven in bijlage I.

Materiële levensstandaard

De materiële levensstandaard geeft het ma­te­riële peil van het leven binnen een maat­schap­­pij weer. Vaak wordt dit afgemeten aan het in­komen per hoofd van de bevolking. Indien het in­ko­men toeneemt, kunnen men­sen meer goe­de­ren en dien­­­sten consumeren waardoor zij beter in staat zijn om in hun materiële be­hoef­­ten te voorzien. Uit onder­zoek blijkt dat een hogere ma­te­riële levens­stan­daard bijdraagt aan een betere kwa­li­teit van leven (Easterlin, 2001). Deze re­la­tie is echter niet li­neair van aard. Van­­af een bepaald inkomens­niveau resulteert een inkomens­stij­ging nau­we­­­lijks meer in een ver­be­tering van het welzijn (figuur 2). De economische literatuur biedt hiervoor verschillende ver­klaringen. Ten eerste worden im­ma­te­riële behoeften belang­rij­ker naarmate mensen beter in hun materiële behoef­ten kunnen voorzien (Mas­low, 1943). Veel van deze immateriële behoeften zijn niet te koop. Ten tweede passen mensen hun aspiraties aan hun wel­vaarts­niveau aan (Layard, 2005). Aan­­­­vankelijk heeft een in­komensstijging dan ook een po­si­tief ef­fect op de kwa­liteit van leven, maar al snel raken zij ­aan hun nieuwe inkomens­niveau gewend en zakt de levens­vol­doe­ning terug naar het oude niveau. Boven­dien wordt de mate van levens­vol­doe­ning niet bepaald door het absolute in­ko­mens­niveau, maar door het re­la­tieve niveau van het inkomen ten op­zich­te van de referentie­groep (Layard, 2005). In­dien bij individuen de per­cep­tie bestaat dat mensen in ver­ge­lijkbare situaties meer verdienen of in meer luxe le­ven, kan dit hun sub­jec­tieve welzijn negatief beïnvloeden. Rijk zijn mag dan niet tot een ho­gere kwa­li­teit van leven leiden, maar re­latief arm zijn leidt wel degelijk tot min­­der welzijn. Aangezien het inkomen een belangrijke determinant vormt van de materiële le­vens­standaard, hebben we het gemiddelde besteedbaar inkomen per huishouden [6] gecorrigeerd voor verschillen in grootte [7] en samenstelling [8] van het huis­hou­den mee­ge­no­men. Door de uitgevoerde correcties zijn in­ko­mens van ver­schil­len­de typen huis­hou­dens met el­kaar vergelijkbaar. Naast het gemiddelde be­steed­baar in­ko­men heb­ben we ook het ge­mid­del­de aantal bij­stands­­­uitke­rin­gen per huis­hou­den meege­no­men. Hiermee heb­ben we getracht om de in­ko­mens­­ver­schil­len tus­sen huis­hou­dens te onder­van­gen. De ma­te­riële levens­stan­daard wordt niet alleen be­paald door het inkomen per huis­houden, maar ook door de vermogenspositie van huis­hou­dens. Indien een huis­hou­den weinig in­ko­men heeft maar wel een goe­de vermogenspositie, dan kan dit huishouden als­nog een hoge ma­te­riële le­vens­standaard hebben. Ondanks het belang van de ver­­mo­gens­­positie hebben we hiervoor geen in­di­cator meegenomen. Hoewel veel Ne­derlanders een aanzienlijk vermogen heb­ben, kunnen zij het niet gemakkelijk liquide maken. Veel huis­hou­dens beschik­ken met name over pensioen- en hui­zen­vermogen dat niet een­vou­dig voor con­sumptiedoeleinden is te gebruiken. An­­­dere fac­to­ren die in theo­rie een rol spe­len, maar waarvoor in de prak­tijk geen data beschikbaar zijn, om­vat­ten pro­ductieve activa die iemand, naast arbeid, be­­zit. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan land. Ook de toegang tot kre­diet- en ver­ze­ke­rings­markten kan van be­lang zijn, bijvoor­beeld vanuit het perspectief van een gelijke ver­de­ling van de con­sump­tie over de levenscyclus van een persoon. Bij ge­brek aan indicatoren laten we deze ele­menten buiten beschouwing.

Figuur 2: Materiële levensstandaard en gemid­delde tevredenheid in landen­

Figuur 2: Materiële levensstandaard en gemiddelde tevredenheid in landen

Bron: World Values Survey

Gezondheid

De tweede kerndimensie waarmee de kwaliteit van leven hier en nu in kaart kan worden gebracht omvat gezondheid. Gezondheid kan worden ge­de­finieerd als een “toestand van volledig lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn en niet slechts de afwezig­heid van ziek­te of gebrek” (WHO, 1946). De fysieke en men­ta­le gesteldheid van men­sen be­ïnvloedt zowel de leng­te als de kwaliteit van leven. Er bestaat niet alleen een di­recte relatie tussen ge­zond­heid en welzijn (figuur 3), er is ook sprake van een in­di­­rec­te relatie via andere kern­di­men­­sies van de kwa­li­teit van leven. Gezond­heid kan bijvoorbeeld iemand zijn vermogen om te wer­ken beïn­vloe­den en daar­mee de materiële le­vens­­stan­daard van deze persoon. Bo­vendien draagt een goe­de ge­zond­heid bij aan het realiseren van be­lang­rijke doelstellingen van de sa­men­­­le­ving, zoals lan­ger doorwerken en maat­schap­pe­lijke participatie. Bij de eva­­­luatie van de ge­zond­heid van een bevolking spelen sterftecijfers een belang­rijke rol. In het meest extreme geval kan een slechte ­gezondheid tot de dood leiden. Aangezien de sterftecijfers in een regio sterk wor­­­den beïnvloed door de leef­tijds­opbouw en het geslacht van de inwoners, heb­­­­ben we hiervoor ge­cor­ri­geerde sterf­tecijfers gebruikt. Naast sterftecijfers zijn ziektecijfers van be­lang. Veel men­sen met een slechte gezondheid komen niet te over­lij­den, ter­wijl hun gezondheid wel hun kwaliteit van leven beïnvloedt. De fysieke en men­ta­le ge­steldheid van de be­volking hebben we in kaart gebracht aan de hand van het ge­schatte aantal (deel-)contacten met de huisarts op het gebied van chro­ni­sche ziekten en psychische aandoeningen per 1.000 inwoners. Ook hebben we het aantal mensen met (extreem) over­ge­wicht mee­ge­nomen. Overgewicht is een ri­si­cofactor voor de gezondheid die snel in belang toeneemt. Het vergroot de kans op diverse ziek­tes, in het bijzonder diabetes (Loke en de Jong, 2013). Vol­gens Stig­litz et al (2009) speelt toegang tot ge­zond­heidszorg eveneens een be­lang­rijke rol bij de gezondheid van mensen. Indien mensen verstoken zijn van me­­­dische zorg kunnen gezondheidsproblemen niet worden aangepakt, waardoor de kwaliteit van leven langdurig wordt aangetast. Aan­ge­zien (bijna) ie­de­reen in Ne­der­land voor stan­daard­kos­ten van bij­voor­beeld de huisarts of het zie­ken­huis is ver­ze­kerd via een verplichte zorg­­ver­ze­ke­ring en de fysieke afstand tot me­di­sche zorg vanwege wettelijk bepalingen geen probleem is, laten we dit facet ver­der bui­ten beschou­wing.

Figuur 3: Subjectieve gezondheid en tevredenheid
Figuur 3: Subjectieve gezondheid en tevredenheidBron: CBS
Figuur 4: Opleidingsniveau en tevredenheid
Figuur 4: Opleidingsniveau en tevredenheidBron: CBS

Scholing

Scholing is eveneens van belang voor de le­venskwaliteit van mensen, vooral op een in­di­recte wijze via andere kerndimensies (Witter et al, 1984). Scholing ge­ne­reert bijvoorbeeld economische opbrengsten in de vorm van werk en een be­ter inkomen, waardoor de materiële levens­stan­daard en het welzijn toenemen. Tevens leidt scholing tot niet-economische ba­ten, bij­voorbeeld in de vorm van een goede gezondheid (Stone et al, 2008) [9]. Naast deze persoonlijke op­­breng­sten leidt scholing ook tot maat­schappelijke baten. Als het aantal hoog­opgeleide men­sen toeneemt, stijgt de arbeidsproduc­tiviteit en is de maat­schap­pij beter in staat om ge­avan­­ceer­de technologieën toe te passen (Ace­mo­glu, 2009). Daar­naast blijkt het ini­tiële opleidingsniveau [10] positief te cor­re­leren met economische groei (Bar­ro, 1991; Ben­­habib en Spiegel, 1994) [11] en is er sprake van een grote­re mate van po­li­tieke· (Milli­gan et al, 2004; Dee, 2004) en sociale be­trok­kenheid (Schuller et al, 2000; Byn­ner et al, 2001). Bo­ven­dien neemt het ver­trou­wen toe (Helliwell en Put­man, 2007) en is de weer­stand te­gen antisociaal ge­drag, zoals crimina­liteit, groter (Wolfe en Ha­ve­man, 2001). De genoten scho­ling bren­gen we in kaart aan de hand van het aantal hoog­op­geleiden als per­cen­­tage van de poten­tiële beroepsbevolking. Hoewel het ook van belang is om naar de kwa­liteit van het genoten onderwijs te kijken, laten we dit, vanwege een ge­brek aan gegevens op regionaal niveau, buiten be­schou­wing. Bo­vendien blijkt het Ne­der­landse onderwijs internationaal gezien van een hoog niveau te zijn, hoewel de kwaliteit daalt (CPB, 2011b).

Persoonlijke activiteiten inclusief werk

Dagelijks ondernemen mensen allerlei ac­ti­vi­teiten die grofweg kunnen worden opgedeeld in drie categorieën, namelijk persoonlijke verzorging, verplichtingen en vrije tijd. De manier waarop mensen hun tijd be­steden en de oor­sprong van deze activiteiten is van invloed op de kwaliteit van leven. Nederlanders besteden het merendeel van hun tijd aan persoonlijke verzorging (slapen, eten, drinken en lichamelijke verzorging), namelijk zo’n 76 uur per week (figuur 5). Deze ac­ti­viteiten zijn veelal noodzakelijk om in leven te kunnen blijven. Naast per­soon­lij­ke verzorging legt vrije tijd ook een aanzienlijk beslag op het aantal uren dat Ne­­derlanders per week te besteden hebben. Om goed te kunnen presteren is het hebben van voldoende tijd voor ontspanning van belang. De manier waarop men­­sen hun vrije tijd inrichten is echter nog belangrijker dan het aantal uren dat zij eraan besteden. De manier waarop de vrije uren worden besteed, be­pa­len immers de hoe­veelheid vol­doe­ning die het op­levert. Aangezien wij niet be­schikken over re­gio­nale data met be­trek­king tot de voldoening die persoonlijke verzorging en vrije tijd opleveren noch over de tijdsbesteding in de verschillende regio’s, hebben we deze aspecten van persoonlijke activiteiten niet mee­ge­nomen in onze analyse van de kwaliteit van leven hier en nu. Verplichtingen, in de vorm van betaald werk, hebben we wel meegenomen [12]In de af­ge­lopen de­cen­nia is het aantal uren dat Neder­lan­ders be­ste­den aan een betaalde baan fors toe­ge­no­men, doordat het aan­deel werkenden is ge­groeid (Van de Belt, 2011b). In 2005 werkten Ne­der­lan­ders ge­middeld 26,0 uur per week (fi­guur 5). Dit aan­tal uren ligt aanzienlijk la­ger dan de tradi­tio­nele 40-urige werkweek. Dit wordt ver­oor­zaakt doordat deel­tij­ders en niet-wer­kenden het gemiddelde naar be­neden ha­len. Het heb­­ben van een betaalde baan voor een be­perkt aantal uren per week draagt po­si­tief bij aan het wel­zijn van een in­di­vidu. Niet al­leen omdat het heb­ben van een inkomen een be­paal­de levens­stan­daard verschaft, maar ook om­­dat het bij­draagt aan zelf­ver­trou­wen, persoonlijke ont­wik­keling en sociale ge­bor­genheid (OECD, 2011). Niet al het betaalde werk is echter even waardevol. De precieze re­latie hangt sterk af van de ka­rak­teristieken van de baan, zoals de duur van de werkdag en de tijden waarop moet worden gewerkt. Aan­ge­zien ge­gevens over de kwa­­­­liteit van het werk op regionaal niveau ontbreken, hebben we alleen gekeken naar het aan­deel van de werkzame beroepsbevolking in de potentiële beroeps­bevolking, of terwijl de netto-arbeids­par­ticipatie.

Figuur 5: Tijdsbesteding Nederlanders in uren per week

Figuur 5: Tijdsbesteding Nederlanders in uren per week

Bron:SCP

Politieke stem en kwaliteit van bestuur

Binnen de dimensie kwaliteit van bestuur gaat het om het recht van mensen om hun stem te laten gel­den en als volwaardige burger deel te nemen aan de maatschappij, mee te denken over de vormgeving van het beleid en om een afwijkende mening te mo­gen heb­ben. Het hebben van een politieke stem kan corrigerend werken voor be­­leid. Het kan ervoor zorgen dat ambte­na­ren en publieke instellingen verant­woor­delijk wor­­den gehouden. Het kan tevens onthullen waar mensen be­hoefte aan hebben en wat zij waar­deren. Of in­divi­du­en al dan niet een politieke stem heb­ben, hangt af van de kwaliteit van het be­stuur. Volgens de Wereldbank omvat goed bestuur “de tradities en instituties waar­mee autoriteit in een land wordt uitgeoefend. Dit omvat de wijze waarop rege­rin­gen worden ge­se­lecteerd, gemonitord en ver­van­gen, het vermogen van re­ge­rin­gen om op een effectieve wijze deugdelijk beleid te formuleren en te imple­men­te­ren en het respect van burgers en de staat voor in­sti­tu­ties die hun onder­linge eco­no­mi­sche en sociale interacties re­gu­leren” (Kauf­mann et al, 2010). Tus­sen de kwa­li­teit en het functioneren van de overheid en het per­soon­lijke geluk be­staat een po­­si­tief ver­­band. Uit diverse on­der­zoeken blijkt dat een bestuurlijke kwaliteitsverbetering van­af een bepaald niveau leidt tot een ver­be­tering van de mate waarin men­sen zich ge­luk­kig voe­len (Hel­li­­well en Huang, 2008; Ott, 2011). De kwaliteit van het bestuur is van di­verse fac­to­ren afhan­ke­lijk. Kaufmann et al (2010) onderscheiden zes as­pec­ten: inspraak en ver­ant­woor­dingsplicht, politieke stabiliteit en afwezigheid van geweld, ef­fec­ti­vi­teit van de overheid, kwaliteit van wet- en regelgeving, rechtszekerheid en be­heersing van corruptie. Op deze zes aspecten scoort Nederland relatief goed. In figuur 6 is de positie van Nederland ten opzichte van 215 onderzochte landen weer­ge­ge­ven. Des te lager de score, des te hoger de positie van Nederland op de rang­lijst. Omdat veel aspecten die verband houden met kwaliteit van bestuur op na­­tio­naal niveau zijn geregeld, hebben we deze kerndimensie buiten be­schou­­wing gelaten bij de regionale door­ver­taling.

Figuur 6: Goed bestuur in Nederland

Figuur 6: Goed bestuur in Nederland

Bron: Kaufmann et al (2010)

Sociale verbanden en relaties

Sociale verbanden en relaties omvatten “de netwerken tezamen met gedeelde normen, waarden en begrippen die de sa­men­werking vergemakkelijken tussen en binnen groepen” (Coté en Healy, 2001). Deze kerndimensie draait om parti­ci­patie in de samenleving, ver­trouwen en sociale bin­din­gen. Sociale ver­ban­den en relaties zijn zo­­wel direct als indirect, via andere kern­dimensies, van invloed op de kwaliteit van leven. De aan­we­zig­heid van so­ciale verbanden kan het vinden van een baan bijvoorbeeld vergemak­kelijken (Bar­­bieri et al, 1999). Ook beïn­vloe­den sociale verbanden de fy­sieke en mentale gezondheid van individuen op een positieve manier en oor­delen mensen met meer relaties positiever over hun eigen leven (Putman, 2000). Het bestaan van sociale ver­ban­den wordt ook in verband gebracht met in­ve­steringen in men­selijk ka­pi­taal (Coleman, 1988), een hogere financiële ontwikkeling (Guiso et al, 2004) en meer innovatie (Akco­mak en Ter Weel, 2009). Actieve deelname van indi­vi­duen aan for­mele en in­formele ver­ban­den kan di­verse vormen aannemen (CBS, 2010). Bij sociale participatie gaat het om onderlinge contacten tussen indivi­du­en. Hierover zijn op regionaal niveau geen data beschikbaar. Verbon­den­heid van individuen met (maat­schap­pelijke) or­ga­ni­saties en ver­enigingen heb­ben we ge­meten aan de hand van het percen­tage men­sen in de regio dat vrij­wil­li­gerswerk doet. Ook hebben we het aantal personen dat de kerk bezoekt mee­ge­no­men. De politieke participatie hebben we in kaart gebracht aan de hand van de op­komst bij Twee­de-Kamer­ver­kiezin­gen en gemeenteraadsverkiezingen. Participatie kan niet worden be­werk­­stel­ligd zonder vertrouwen (Coleman, 1988). Zon­der ver­trou­wen is het immers lastig om re­la­ties op te bouwen en zijn per­so­nen min­der snel bereid om te handelen in het be­lang van een groep of gemeen­schap. Ook hierbij kan vol­gens het CBS (2010) een on­derscheid worden ge­maakt tussen drie vormen van ver­trou­wen. Sociaal ver­­trouwen draait om ver­trouwen dat in­dividuen in anderen (ge­ge­ne­raliseerd vertrouwen) of in een spe­cifieke groep (gespecificeerd ver­trou­wen) hebben. Maat­schappelijk vertrouwen heeft be­trek­king op ver­trou­wen in (maat­schap­pe­lijke) organisaties en instituties, ter­wijl po­li­tiek ver­trouwen specifiek over ver­trou­­wen in politieke in­sti­­tuties gaat. Hoewel ver­trouwen van belang is, zijn er geen vertrouwensindicatoren op re­gio­naal ni­veau beschikbaar. Hierdoor kunnen we dit aspect van sociale verbanden en relaties niet in onze analyse mee­­nemen. Ten slotte is integratie van belang.       

Indien er geen sociale bindingen bestaan tus­sen mensen uit verschillende groe­pen, dan tast dit deze kerndimensie aan. Putman (2007) claimt dat een grotere mate van etnische diversiteit in de buurt het vertrouwen dat mensen in buren hebben verminderd. Om deze reden hebben we het aandeel niet-westerse al­loch­tonen ten opzichte van de totale bevolking meegenomen.

Milieu en leefomgeving

Het milieu heeft eveneens een grote impact op de kwaliteit van le­ven van in­di­vi­duen. Zo beïnvloedt het de gezondheid van mensen, bij­voor­beeld via lucht­ver­vui­ling en geluidsoverlast. Om deze reden hebben we gekeken naar het aantal vervuilde locaties [13] per hectare. Ook levert de natuur diensten, bijvoor­beeld in de vorm van natuur- en recreatiegebieden waarvan mensen profijt hebben. Naast het milieu is ook de leefomgeving van belang voor de kwaliteit van leven (OECD, 2011). De toegang tot voor­zie­ningen speelt hierbij een be­lang­rijke rol (Farrell et al, 2004). De toe­gang tot voorzieningen hebben we gemeten aan de hand van de afstand in kilometers tot gezondheids­zorg, win­kels, horeca, kinderopvang, scholen en vrije­tijds- en cultuur­voor­zie­nin­gen.

Persoonlijke onzekerheid

Persoonlijke onzekerheid omvat externe fac­toren die een risico vormen voor de fysieke integriteit van een persoon. Het gaat hierbij onder meer om de kans slacht­offer te worden van een misdrijf of de kans om een ongeluk te krijgen. In extreme ge­vallen kan fysieke onveiligheid tot de dood leiden. In minder ex­­tre­me gevallen zorgt zij voor een gevoel van kwetsbaarheid en speelt ze een rol bij de keuzes die mensen maken (OECD, 2011). Persoonlijke onzekerheid heb­­­ben we in kaart gebracht aan de hand van het aantal mis­drij­ven en het aan­tal ge­re­gi­streerde verkeersongevallen waarbij mensen gewond zijn geraakt per duizend inwoners.

Economische onzekerheid

Economische risico’s gaan over de onzekerheid die mensen hebben over hun toe­komstige materiële situatie. Economische onzekerheid heeft een negatieve impact op de kwaliteit van leven. Zij kan leiden tot stress en een be­lem­me­ring vormen voor men­sen om te investeren in een opleiding voor zichzelf of voor hun kin­de­ren, of in huisvesting (CBS, 2012). De mate waarin economische onzeker­heid de kwaliteit van leven aantast, hangt on­der andere af van de fre­quen­tie, de grootte en de lengte van de schok, het stigma dat ermee samenhangt en de financiële im­pli­caties. Economische on­ze­kerheid reflecteert ver­schil­lende eco­no­mi­sche risico’s, zoals de kans op werk­loos­heid of arbeids­on­ge­schiktheid. Zowel werk­loos­­­heid als arbeidsongeschiktheid kan leiden tot een verlies aan inkomen, waar­­door individuen moeilijker in hun eigen levens­on­derhoud kunnen voorzien. Daarom hebben we zowel de jaarlijkse verandering van het bij het UWV ge­re­gi­streerde aantal werkzoekenden en de jaarlijkse verandering van het aan­tal uit­ke­ringen in het kader van de WAO, Wajong, WAZ en WIA als percentage van de beroepsbevolking meegenomen. Ook hebben we het aantal opgeheven be­drijfs­ve­sti­gin­gen ten opzichte van het totaal aantal bedrijfsvestigingen in de re­gio meegenomen, aan­gezien dit door een permanente daling van de werk­ge­le­gen­heid tot langdurige onzekerheid kan leiden. Naast toekomstige inkomens­ont­wik­kelingen kunnen ook toekomstige vermogensontwikkelingen tot economische onzekerheid leiden. Om deze reden hebben we de mediane huizenprijs­ont­wik­ke­ling meegenomen (drie­jaars voortschrijdend gemiddelde). Aangezien niet alle huishouden in een koop­woning wonen hebben we de huizenprijsontwikkeling ver­menigvuldigd met het eigen woningbezit. 

Samenvatting

Per saldo brengen we de huidige kwaliteit van leven in kaart aan de hand van acht kern­di­men­sies, te weten: materiële levensstandaard, gezondheid, scholing, per­soon­lijke activiteiten, sociale verbanden en relaties, milieu en leefomgeving, per­soon­lijke en economische onzekerheid. Politieke stem en kwaliteit van be­stuur heb­ben we niet meegenomen, omdat deze dimensie veelal op nationaal niveau is ge­regeld. In totaal maken we gebruik van 28 indicatoren. 

Voetnoten

[6] ^ Het besteedbaar inkomen omvat het inkomen uit ar­beid, een eigen onderneming en vermogen.

[7] ^ De grootte omvat het aantal personen dat deel uitmaakt van het particulier huishouden.

[8] ^ De samenstelling heeft betrekking op de typering van een particulier huishouden op basis van de onderlinge relaties van de personen binnen het huishouden.

[9] ^ Hierbij is het overigens niet duidelijk hoe de causaliteit verloopt.

[10] ^ Percentage van de kinderen dat in 1960 naar school gaat.

[11] ^ De relatie tussen een toename van het opleidingsniveau en economische groei is echter minder duidelijk (Ben­ha­bib en Spiegel, 1994; Kreuger en Lin­dahl, 2001).

[12] ^ Andere verplichtingen zoals huishoudelijke taken en zorgtaken hebben we, vanwege een gebrek aan indicatoren, buiten beschouwing gelaten.

[13] ^ Dit wordt in kaart gebracht aan de hand van diverse typen metalen in de grond en het grondwater.

Kwaliteit van leven later

Bespreking van dimensies en indicatoren

De kwaliteit van leven later heeft betrekking op het welzijn van toekomstige ge­neraties die hier leven. Hun welzijn kan in kaart wor­den gebracht aan de hand van de kapitaalbenadering, waarbij vier soor­­­ten kapitalen worden onder­schei­den. Evenals bij de keuze voor de indicatoren voor de huidige kwa­­liteit van leven is de keuze voor de in­di­ca­to­ren voor de kwaliteit van leven la­ter voor een be­lang­rijk deel in­ge­ge­ven door de beschikbaarheid van data op pro­vinciaal, COROP- en ge­meen­te­niveau. De precieze definities van de in­di­ca­toren zijn weer­­gegeven in bijlage II.

Economisch kapitaal

Het hebben van voldoende economisch ka­pi­taal, be­staan­de uit fysiek en kennis­kapitaal, is van groot belang voor toekomstige generaties. Hicks (1939) gaf al aan dat de materiële wel­vaart van een land alleen kan worden gega­ran­deerd zo­lang de hoeveelheid economisch kapitaal (per hoofd) niet afneemt. Ook Solow (1956) liet zien dat een toename van de hoeveelheid economisch kapitaal per eenheid arbeid belangrijk is voor economische groei. Toekomstige generaties heb­ben fysiek kapitaal, zoals ma­chi­nes, gebouwen en infrastructuur, nodig om andere goederen en diensten te kunnen produceren of de productie ervan te fa­ci­literen. Het is dan ook van belang dat de huidige generatie hier per saldo niet op inteert. De door bedrijven opgebouwde hoeveelheid fysiek kapitaal hebben we in kaart gebracht aan de hand van de hoeveelheid materiële activa die het bedrijfsleven in de regio bezit. Om de voorraad fysiek kapitaal in stand te hou­den, zijn vervangingsinvesteringen noodzakelijk, terwijl uitbreidings­in­ve­ste­ringen ervoor zorgen dat de voorraad fysiek kapitaal toe­neemt. De solvabiliteit en de inve­ste­rings­quote hebben we gebruikt als proxies voor de investeringen van bedrijven in machines en ge­bou­wen. De solvabiliteit geeft inzicht in de ge­zondheid van het bedrijfsleven in de regio en daarmee in het vermogen om te investeren, terwijl de investerings­quo­te [14] weergeeft welk percentage van de bru­to toegevoegde waarde het bedrijfs­le­ven daad­wer­ke­lijk investeert. Naast be­drij­ven draagt de overheid bij aan de opbouw van fysiek kapitaal. De overheid in­ve­steert bijvoorbeeld in infrastructuur, zoals wegen. De op­ge­bouw­de voorraad in­frastructuur hebben we in kaart gebracht aan de hand van de oppervlakte van infrastructuur ten opzichte van de totale landoppervlakte. Voor de investeringen in infrastructuur waren geen data beschikbaar.

Naast de hoeveelheid fysiek kapitaal is ook de hoe­veel­heid kennis­kapitaal van belang voor toe­kom­sti­ge generaties. Meer ken­nis­ka­pi­taal kan leiden tot de ont­wik­keling van nieuwe technieken en pro­duc­ten waarvan toekomstige generaties profijt kunnen hebben. Inno­va­ties leiden niet alleen tot directe posi­tie­ve ef­fec­ten voor de bedenker, maar ver­hogen ook het algehele kennisniveau waar­op an­de­ren kunnen voort­bouwen en weer tot nieuwe innovaties kunnen komen (‘stan­­ding on the shoul­ders of giants’). Kennis of ideeën zijn een bijzonder eco­no­­misch goed. Het is niet riva­liserend in het gebruik. Afgezien van eventuele pa­ten­ten kan een goed idee on­telbare keren worden gerepliceerd. Hoe groter de voorraad kennis, hoe ge­mak­kelijker het is om nieuwe kennis te laten ontstaan (Ro­mer, 1990). Dus ook hoe meer mensen ideeën kunnen bedenken, hoe groter de mogelijke econo­mische groei. Directe gegevens met betrekking tot R&D-uit­ga­ven zijn niet op regionaal niveau beschikbaar. Daarom hebben we het aantal banen in R&D-gerelateerde sectoren als percentage van het totaal aantal ba­nen mee­ge­nomen.

Investeringen door de overheid in economisch kapitaal zijn goed voor toe­kom­sti­ge generaties. Echter, als deze investeringen worden ge­fi­nan­cierd met ge­leend geld dan worden toekomstige generaties op­ge­za­deld met een onbetaalde re­ke­ning. Om deze reden is het van belang dat schulden houdbaar zijn, zodat toe­komstige generaties een vergelijkbaar voorzieningenniveau kunnen profiteren als huidige generaties, zonder de belastingen te hoeven verhogen. Over de schuldhoudbaarheid van gemeenten zijn geen gegevens beschikbaar. Om deze reden hebben we de schuld van gemeenten per inwoner meegenomen.

Menselijk kapitaal

Menselijk kapitaal omvat de kennis, vaardigheden en competenties van mensen die van belang zijn voor de economische activiteit en die worden gevormd door onderwijs en training.Menselijk kapitaal heeft betrekking op de kwaliteit van ar­beid. Aan­ge­zien deze kapitaalvorm per definitie is ver­bon­den met de huidige ge­ne­ratie, is het niet me­teen duidelijk hoe de afruil tussen de kwaliteit van leven van de huidige en toekomstige ge­ne­ratie plaatsvindt. Toch bestaat er een wis­sel­werking, doordat sprake is van pad­af­han­kelijkheid. Lucas (1988) mo­del­­leert toe­nemende factorproductiviteit als resultaat van scholing. Volgens Lu­cas kan een een­ma­li­ge (blijvende) verhoging van de tijd die per persoon aan de opbouw van kennis wordt besteed, via intertemporele spillovers leiden tot een struc­­tu­reel ho­gere groei van de arbeidsproductiviteit. Het volume van men­selijk kapitaal heb­ben we in kaart gebracht aan de hand van de groene druk, oftewel de pro­cen­tuele verhouding tussen het aantal personen van 0 tot en met 19 jaar ten op­zich­te van de personen in de zogenaamde 'pro­duc­tieve' leef­tijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar. Als indicator voor de investeringen in menselijk kapitaal hebben we het aan­tal HAVO-leerlingen (leerjaar 3, 4 en 5) en VWO-leerlingen (leer­jaar 3, 4, 5 en 6) als percentage van het aan­tal personen in de leeftijds­ca­te­go­rie 14-20 jaar meegenomen.

Natuurlijk kapitaal

Natuurlijk kapitaal omvat natuurlijke hulpbronnen die worden gebruikt als input voor het pro­ductie­proces en natuurlijke activa die ecologische diensten verschaf­fen. De economische afhankelijkheid van natuurlijke hulpbronnen is groot, maar de voorraad natuurlijke hulpbronnen is eindig. Natuurlijke hulpbronnen worden steeds schaarser en duurder. Door de ontwikkeling van tech­no­logieën om spaar­zamer met deze grondstoffen om te gaan en door nieu­we vond­sten kan deze pe­riode waarin we gebruik kunnen maken van de na­tuur­lijke hulp­bronnen welis­waar worden verlengd, maar uiteindelijk zullen ze ooit opraken. Bovendien leidt het gebruik van natuurlijke hulpbronnen tot ‘nieuwe schaarsten’. Het gebruik van natuurlijke hulp­bronnen, en dan met name fossiele brandstoffen, gaat bij­voor­beeld gepaard met de uitstoot van CO2-gassen, waardoor de opvang­ca­pa­ci­teit van de atmosfeer voor broei­kas­gassen steeds verder afneemt. Ook neemt de veer­­kracht om “aanslagen op de natuur, op flora en fauna” op te vangen zon­der on­om­keerbare en destructieve gevolgen af (Ministerie van VROM en mini­ste­rie van Buitenlandse Zaken, 2009), waardoor de biodiversiteit [15] in het gedrang kan komen. Over de regionale voorraad aan natuurlijke hulpbronnen zijn geen ge­ge­vens be­schikbaar, waardoor we dit aspect buiten beschouwing hebben ge­laten. Evenmin hebben we gegevens over onttrekking en aanvulling van na­tuurlijke hulpbronnen. De nieuwe schaarsten die ontstaan door het gebruik van fossiele brandstoffen hebben we in kaart gebracht aan de hand van de CO2-uit­stoot door het bedrijfsleven, inwoners en het verkeer. Des te hoger de CO2-uit­stoot, des te meer beslag de huidige generatie op het welzijn van de toe­kom­stige generatie legt. De huidige voorraad aan natuur hebben we in kaart ge­bracht aan de hand van de oppervlakte aan natuur per inwoner. De ont­wikke­ling op het gebied van bio­di­ver­siteit hebben we gemeten aan de hand van de va­riatie aan flora in en de re­ser­vaat­functie voor flora van de verschillende re­gio’s. Voor fauna waren geen data op regionaal niveau beschikbaar. 

Sociaal-cultureel kapitaal

Van de vier kapitaalvormen is sociaal-cultureel kapitaal het minst ver ont­wik­keld, omdat deze kapitaalvorm het lastigste meetbaar is. Bourdieu (1989) on­derscheidt drie vormen van cultureel kapitaal: de belichaamde staat, de geob­jectiveerde staat en de geïnstitutionaliseerde staat. De ‘belichaamde staat’ re­fe­reert aan de geletterdheid en culturele kennis en competenties die ver­bon­den zijn met de persoon en waarvan de opbouw lange tijd in beslag neemt. De ‘ge­ob­jectiveerde staat’ bestaat uit tastbare zaken als documenten, schilderijen en instrumenten en is daarmee overdraagbaar. De ‘geïn­stitu­tio­naliseerde staat’ bestaat onder meer uit diploma's en titels. Van deze drie vormen van cultureel kapitaal is de geobjectiveerde staat het eenvoudigst in kaart te brengen. Wij hebben het aantal archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorps­ge­zich­ten per hectare landoppervlakte in onze analyse mee­ge­nomen. Over andere culturele facetten waren geen regionale data beschikbaar. 

Samenvatting

Per saldo brengen we de kwaliteit van leven van toekomstige generaties brengen we in kaart aan de hand van vier kapitalen, te weten: economisch kapitaal, men­selijk kapitaal, na­tuurlijk kapitaal en sociaal-cultureel kapitaal. In totaal hebben we 17 indi­catoren ge­bruikt.

Voetnoten

[14] ^ Een dalende investeringsquote betekent niet automatisch dat de investeringen zijn afgenomen. Een voldoende voorwaarde voor een dalende investeringsquote is dat de ontwikkeling van de investeringen achterblijft bij de ontwikkeling van de productie (toegevoegde waarde).

[15] ^ Biodiversiteit is de verscheidenheid aan soorten en de aantallen binnen een soort in een bepaalde leefgemeenschap (=biotoop).

Methodologie

Berekening duurzaamheidsscores

Aan de hand van de hiervoor beschreven indicatoren voor de kwaliteit van leven nu en later hebben we duurzaamheidsscores voor de verschillende regio’s be­re­kend. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de gekozen in­di­catoren slechts een zeer grof beeld geven van de status van duurzaamheid van regio’s. Het ont­bre­ken van gegevens over ver­­­schil­lende aspecten die we wel graag zouden me­ten, maakt het lastig om tot een universele en the­o­­retisch tot in de puntjes ver­ant­woor­de maat­staf voor duur­zaamheid te komen. Dit is ook onmogelijk. Het mee­ne­men van meer variabelen dan BBP-groei geeft per de­fi­nitie een beter beeld van de duur­zame ontwikkeling van regio’s dan de BBP-maatstaf alleen.

We hebben ervoor gekozen om per dimensie één (samengestelde) indicator op te stellen, aan­ge­zien dit vanuit communicatief oogpunt aantrekkelijk is. Het na­deel van deze benadering is dat de duurzaamheidsscore per definitie is op­ge­bouwd uit achterliggende subindicatoren die moeten worden gewogen, waar­door er per definitie sprake is van een waardering van de verschillende facetten van de kwaliteit van leven. Dit is de voornaamste reden waarom Stig­litz et al (2009) aangeven dat duurzaamheid een multi-dimensioneel con­cept is dat niet in één getal kan worden uitgedrukt. Om enigszins aan dit bezwaar tegemoet te komen, pre­senteren we in het volgende hoofdstuk naast de totale duurzaamheidscore per regio ook de score op de afzonderlijke dimensies.

Bij de berekening van de (samengestelde) indicator stuitten we op twee con­cep­tuele problemen. Ten eerste zijn de indicatoren in verschillende meet­een­he­den uitgedrukt. Sommige indicatoren zijn bijvoorbeeld uitgedrukt in percen­ta­ges, ter­wijl andere indicatoren zijn uitgedrukt in euro’s of aantallen personen. Hier­door kan niet zonder meer het (gewogen) gemiddelde van de (sub-)­indica­to­ren worden genomen, maar moeten deze eerst in dezelfde meeteenheid worden uit­gedrukt. Hiertoe hebben we de (sub-)indicatoren genormaliseerd door z-scores te berekenen. De z-score is gedefinieerd als:

Definiëring z-score,

waarbij Xij de waar­­neming voor indi­ca­tor i voor regio j re­presenteert, µi het gemiddelde en σi de standaarddeviatie van de verdeling van alle waarnemingen voor indicator i weer­geeft [16]. De herschaalde indicatoren hebben hiermee een gemiddelde waarde van 0 en een standaarddeviatie van 1. 

De z-score geeft aan hoeveel stan­daarddeviaties een observatie van het ge­mid­delde afzit. Een positieve z-score impliceert dat de regio boven het gemiddelde voor Neder­land scoort, terwijl een negatieve z-score juist aangeeft dat de regio ­be­ne­den­ge­mid­deld scoort. Door de z-scores te berekenen, wordt het mogelijk om de scores op verschillende indi­ca­toren met elkaar te vergelijken, omdat de meet­eenheid van de variabele er niet langer toe doet. Voor indicatoren waarbij een waar­destijging bijdraagt aan de kwaliteit van leven, zoals een verbetering van de gezondheid, hebben we de gewone z-score ge­han­teerd. Voor andere in­di­catoren, zoals criminaliteit, draagt een waardestijging juist negatief bij aan de kwaliteit van leven. Dit hebben we ondervangen door de z-scores voor de in­di­catoren te vermenigvuldigen met -1 (zie bijlage 3).

Om de samengestelde indicator per dimensie te berekenen, hebben we de her­schaalde indicatorwaarden gewogen bij elkaar opgeteld tot de samen­ge­stelde indicator­waar­de per dimensie. Zoals vermeld, stuitten we hierbij op het pro­bleem dat we een gewicht aan de verschillende (sub-)indicatoren moesten hangen. Er kan worden gedebatteerd over de vraag wat het juiste gewicht is. Moet een toename van het gestandaardiseerde inkomen per huishouden bij­voor­beeld even zwaar worden ge­wogen als een afname van het percentage bij­stands­­­ge­rech­tig­den? Of is een toename van het gestandaardiseerde inkomen belangrijker dan een afname van het percentage bijstandsgerechtigden? Er be­staat geen een­dui­dig antwoord op de­ze vragen. Het antwoord zal afhangen van de persoon aan wie je deze vragen stelt. Wij hebben ervoor gekozen om elke (sub-)indicator even zwaar mee te we­gen, waarbij we ons realiseren dat dit een arbitraire keuze is. Ook bij de bepaling van de score voor de kwaliteit van leven nu en later en de totale duurzaamheidsscore hebben we deze methodiek ge­han­teerd. 

Voetnoten

[16] ^ In bijlage 3 zijn voor elke ongeschaalde in­di­cator het gemiddelde, µ, en de stan­daarddeviatie, σ, te­zamen met de minimale en maximale waarde weergegeven.

Conclusie

Duurzaamheid in kaart

In deze Special hebben we een conceptueel kader geschetst voor het in kaart brengen van duurzame ontwikkeling op regionaal niveau. Tevens hebben we aangegeven welke in­di­catoren volgens ons gebruikt kunnen worden om de kwaliteit van leven nu en later op een regionaal niveau in kaart te brengen. Vervolgens hebben we de duurzaamheid van de veertig COROP-regio’s in kaart gebracht. De uitkomsten worden besproken in de Special 2013/09 ‘Van welvaart naar welzijn - Duurzaamheid van veertig Nederlandse regio’s in kaart’ die tezamen met deze Special is ver­sche­nen.

Bij de interpretatie van de uitkomsten moeten een aantal dingen in het achter­hoofd worden gehouden. Voor een klein land als Nederland kan de duurzaam­heid op regionaal niveau niet los worden gezien van de duurzaamheid op (inter-) na­tionaal niveau. Immers, behoorlijk wat duur­zaam­heids­­dimen­sies worden vooral op nationaal niveau bepaald. Denk daarbij aan de kwaliteit van in­sti­tuties, maar bijvoorbeeld ook aan de algemene kaders voor onderwijs- en gezond­heids­beleid. Andere dimensies, zoals biodiversiteit, zijn zelfs niet of nauwe­lijks op na­tionaal niveau te beïn­vloeden. Re­gionale duurzaamheid is dus voor een groot deel de uitkomst van ontwikkelingen die zich op een bovenregionaal niveau af­spe­len. Dit impliceert dat de ‘maakbaarheid’ van de duurzaamheid in de regio beperkter is dan die op een hoger beleidsniveau. Bij de beoordeling van de re­gionale prestaties moeten de nationale prestaties in het achterhoofd worden gehouden. Een regio die in vergelijking met andere regio’s in Nederland slecht scoort op een bepaalde dimensie, hoeft internationaal gezien helemaal niet slecht te presteren. Uit diverse studies blijkt dat de huidige kwaliteit van leven hoog is (Helliwell et al, 2012; CBS et al, 2013), maar dit komt tegen een prijs. Voor zowel de kwaliteit van leven elders als later bestaan zorgen.

Met behulp van de duurzaamheidsmonitor brengen we alleen de kwaliteit van le­ven nu en in de toekomst in kaart. De kwa­­­liteit van leven elders hebben we bui­ten beschouwing, omdat dit op re­gio­naal niveau zeer lastig te operatio­na­li­seren is. Dit impliceert echter niet dat deze dimensie niet van belang is. Regio’s heb­ben een grote impact op elkaar, omdat Nederland typische woon- en werk­regio’s kent. Ook is er sprake van een wisselwerking tussen de regio’s aan de randen van Nederland en buurregio’s in het buitenland. Hoewel het niet uit de deze monitor blijkt, is het niet duurzaam om de kwaliteit van leven nu of later te ver­hogen, ten koste van de kwaliteit van leven elders. Bij de ontwikkeling van be­leid moet hier dan ook rekening mee worden gehouden.

De kwaliteit van leven is een zeer breed begrip en subjectief van aard, waardoor het moeilijk is om randvoorwaarden te definiëren voor de kwaliteit van leven nu en in de toekomst. De duurzaamheidsbeleving kan van persoon tot persoon ver­schillen, omdat deze afhangt van persoonlijke voorkeuren nu en in de toekomst. Deze verschillen in beleving van duurzaamheid moeten altijd in het achterhoofd worden gehouden bij het trachten de duurzaamheid te verbeteren. Wat voor de ene persoon een vooruitgang in duurzaamheid kan betekenen, kan voor de ander een verslechtering zijn. Dit geldt niet alleen binnen een generatie, maar ook tussen generaties. Een overstap naar een duurzamer groeimodel betekent bijvoorbeeld per definitie meer welvaart voor toekomstige generaties, maar dit zal ten koste gaan van de welvaart van huidige generaties. De overstap is echter hoe dan ook nodig. En hoe eerder we er in Nederland mee beginnen, hoe beter het is voor toekomstige generaties.

De overstap naar een volledig duurzaam groeimodel vergt een enorme transitie in de manier waarop onze economie werkt en groeit. Deze transitie kan niet van de ene op de andere dag plaatsvinden; het is een geleidelijk proces. Bovendien zullen eventuele acties die worden ondernomen om de duurzaamheid te ver­be­teren vaak pas na enige tijd tot resultaat leiden. Om deze reden is het ook niet zinvol om elk jaar een duurzaamheidsmonitor pu­bliceren. Dit wil echter niet zeg­gen dat het niet belangrijk is om stappen te zetten richting een duurzamer groei­­­­model. Het ‘klassieke’ economische groei­model is immers minder relevant voor ons en (wellicht nog belangrijker) het biedt geen enkel perspectief voor nu, later en ook elders. Terwijl mensen juist wel perspectief nodig hebben. Het is dan ook nu het moment om stappen te zetten naar een duurzamer samenleving, waarbij duurzame vooruitgang een aanlokkelijker perspectief is dan meer econo­mi­sche groei. 

Literatuurlijst

Akcomak, I.S. en B. ter Weel (2008). The impact of social capital on crime: Evidence from the Netherlands. IZA Discussion Paper, No 3603, IZA.

Acemoglu, D. (2009). The Crisis of 2008: Structural Lessons for and from Economics. Cambridge: MIT.

Atkinson, G., R. Dubourg, K. Hamilton, M. Munasinghe, D. Pearce and C. Young (1997). Measuring Sustainable Development: Macroeconomics and the En­viron­ment. Cheltenham: Edward Elgar.

Barbieri, P., H. Russell and S. Paugam (1999). Social Capital and Exits from Un­em­ployment. In D. Gallie and S. Paugam (eds.). Welfare Regimes and the Ex­pe­rience of Unemployment in Europe. Oxford: Oxford University Press, pp. 200-217.

Barro, R.J. (1991). Economic Growth in a Cross-section of Countries. Quarterly Jour­nal of Economic, 106(2), pp. 407-433.

Benhabib, J. and M. Spiegel (1994). The Role of Human Capital in Economic De­ve­lopment: Evidence from Aggregate Cross-Country Data. Journal of Monetary Economics, 43, pp. 143-174.

Bourdieu, P. (1989). Economisch kapitaal, cultureel kapitaal, sociaal kapitaal. In D.Pels (eds.) Opstellen over smaak, habitus en het veldbegrip. Amsterdam: Van Gennep, pp. 142-170.

Bynner, J., S. McIntosh, A. Vignoles, L. Dearden, H. Reed en J. Van Reenen (2001). Wider benefits of learning improving adult basic skills: Benefits to the individual and to society. London: London University.

CBS (2010). Sociale Samenhang: participatie, vertrouwen en integratie. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS, CPB, PBL en SCP (2011). Monitor Duurzaam Nederland 2011. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS, CPB, PBL en SCP (2013). Monitor Duurzaam Nederland 2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2012). De Nederlandse samenleving 2012. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Coleman, J.S. (1988). Social capital in the creation of human capital. American Journal of Sociology, 94, S95-S120.            

Coté, J. en T. Healy (2001). The well-being of nations. The role of human and social capital. Parijs: Organisation for Economic Co-operation and Development.

CPB (2011a). Groene groei: een wenkend perspectief? Den Haag: Centraal Planbureau

CPB (2011b). Nederlandse onderwijsprestaties in perspectief. Den Haag: Centraal Planbureau.

Dee, T.S. (2004). Are there civic returns to education? Journal of Public Eco­no­mics, 88, pp. 1697-1720.

Duindam, T. en R. van de Belt (2012). Op weg naar duurzame groei. Utrecht: Rabobank Nederland

Easterlin, R.A. (2001). Income and happiness: Towards a unified theory. The Economic Journal, 111, pp. 465-484.

Farrell, S. J., T. Aubry en D. Coulombe (2004). Neighborhoods and neighbors: Do they contribute to personal well-being? Journal of Community Psychology, 32(1), pp. 9–25.

Helliwell, J.F. and H. Huang (2008). How’s Your Government? International Evi­den­ce Linking Good Governmnet and Well-Being. British Journal of Political Science, 38, pp. 595-616.

Helliwell, J.F. and R.D. Putnam (2007). Education and social capital. Eastern Economic Journal, 33(1), pp. 1-19

Hicks, J.R. (1939). Value and Capital. Oxford: Clarendon Press.

Kaufmann, D., A. Kraay en M. Mastruzzi (2010). The Worldwide Governance Indicators: A Summary of Methodology, Data and Analytical Issues. World Bank Policy Research

Krueger, A. en M. Lindahl (2001). Education for growth: why and for whom? Journal of Economic Literature, 39(4), pp. 1101–1136.

Kuz­nets, S. (1934). National Income 1939-1932. Senate document no. 124, 73d Congress, 2d session.

Layard, R. (2005). Happiness: Lessons from A New Science. London: Penguin.        

Loke, R en A. de Jong (2013). Regionale verschillen in sterfte verklaard. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Lucas, R.E. (1988). On the Mechanics of Economic Development. Journal of Monetary Economics, 22, pp. 3–42.

Mashlow, A. (1943). A Theory of Human Motivation. Psychological Review, 50, pp. 370-396.

Meadows, D.H., D.L. Meadows, J. Randers en W.W. Behrens III (1972). Limits to Growth. New York: New American Library.

Milligan, K., E. Moretti and P. Oreopoulos (2004). Does education improve citi­zen­ship? Evidence from the United States and the United Kingdom. Journal of Public Economics, 88, pp. 1667-1695.

Ministerie van VROM en Ministerie van Buitenlandse Zaken (2009), Schaarste en Transitie, Kennisvragen voor toekomstige beleid. Bilthoven: Uitgeverij RIVM.

OECD (2011). Compendium of OECD well-being indicators. Parijs: Organisation for Economic Co-operation and Development.

Ott, J.C. (2011). Government and Happiness in 130 Nations: Good Governance Fosters Higher Level and More Equality of Happiness. Social indicators research, 102(1), pp. 3-22.

Putnam, R.D. (2000). Social Capital: Measurement and Consequences. Keynote Address at Symposium on the Contribution of Human and Social Capital to Sustained Economic Growth and Well-being, Quebec, March 19-21.

Putnam, R. (2007). E pluribus unum: Diversity and Community in the Twenty-first Century. The 2006 Johan Skytte Prize Lecture, Scandinavian Political Studies nr. 30, p. 137–74.

Schuller, T., J. Bynner, A. Green, L. Blackwell, C. Hammond en J. Preston (2000). Modelling and measuring the wider benefits of learning: an initial syn­the­sis. Centre for Research on the Wider Benefits of Learning, Institute of Edu­cation/Birkbeck College, London University.

Solow, R.M. (1956). A Contribution to the Theory of Economic Growth. Quarterly Journal of Economics, 70, pp. 65-94.       

Stiglitz, J.E., A. Sen and J. Fitoussi (2009). Report by the Commission on the Measurement of Economic Performance and Social Progress. Parijs: The Commission on Economic Performance and Social Progress.

Van de Belt, R. (2011a). It’s more than the economy, stupid! It’s all about well-being. Utrecht: Rabobank Nederland.

Van de Belt, R. (2011b). Waar onze tijd blijft. Utrecht: Rabobank Nederland

Van de Belt, R. (2012). Moet Nederland Bhutan achterna? Utrecht: Rabobank Nederland.

WCED (1987). Report of the World Commission on Environment and Development. Our common future. New York: United Nations

WHO (1946). Preamble to the Constitution of the World Health Organization as adopted by the International Health Conference, New York, 19–22 June 1946.

Witter, R. A., M. A. Okun, W. A. Stock en M. T. Haring (1984). Education and well-being: A meta-analysis. Educational Evaluation and Policy Analysis, 6(2), pp. 165–173.

Wolfe, B. and R. Haveman (2001). Accounting for the social and non-market Be­nefits of Education. In J.F. Helliwell (ed.), The contribution of Human and So­cial Capital to Sustained Economic Growth and Well-being: International Sym­po­sium Report, Human Resource Development Canada and OECD. 

Bijlage 1

Indicatorenset kwaliteit van leven hier

Variabelen

Definitie

Jaar

Bron

Materiële levensstandaard

 

 

 

Gemiddeld gestan­daar­diseerd inkomen

Het gemiddelde besteedbaar inkomen per huis­houden ge­cor­rigeerd voor ver­schillen in grootte en samenstelling van het huishouden

2010

CBS

Gemiddeld aantal bijstandsgerechtigden

Het aantal uitkeringen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) per huis­houden

 

2011

CBS, Rabobank

Gezondheid

 

 

 

Gestandaardiseerd sterftecijfer mannen en vrouwen

Sterftecijfer waarbij de invloed van de bevolking naar leeftijd en geslacht tus­sen de verschillende regio's is uitge­scha­keld

2012

CBS

Chronische aandoeningen

Geschatte aantal (deel-)contacten met de huisartsenpraktijk per 1.000 in­wo­ners per jaar voor chronische ziekten

2012

Nivel, GGD

Psychische aandoeningen

Geschatte aantal (deel-)contacten met de huisartsenpraktijk per 1.000 inwo­ners per jaar voor psychische en sociale problemen

2012

Nivel, GGD

% mensen met (extreem) overgewicht

Geschatte percentage inwoners (20-64 jaar) met overgewicht (BMI>25) en zwaar overgewicht (BMI>30)

2012

Nivel, GGD

Scholing

 

 

 

% hogeropgeleiden

Personen van 15 tot 65 jaar met hoger onderwijs (hbo en wo) als hoogst be­haalde opleidingsniveau als percentage van de potentiële beroepsbevolking

2009/2011

CBS, Rabobank

Persoonlijke activi­teiten, inclusief werk

 

 

 

Netto-arbeidsparticipatie

Werkzame beroepsbevolking (15 tot 65 jaar) als percentage van de beroeps­be­vol­king

2011

CBS, Rabobank

Politieke stem en goed bestuur

 

 

 

-

-

-

-

Sociale verbanden en relaties

 

 

 

% opkomst Tweede-Kamerverkiezingen

Geldig aantal stemmen als percentage van het aantal kiesgerechtigden

2010

Kiesraad, Rabobank

% opkomst lokale verkiezingen

Geldig aantal stemmen als percentage van het aantal kiesgerechtigden

2010

Kiesraad, Rabobank

% maatschappelijke participatie

Aantal vrijwilligers als percentage van de potentiële beroepsbevolking (15 tot 65 jaar)

2011

WDM, Rabobank

% kerkelijk bezoek

Aantal inwoners dat een religieuze dienst bezoekt als percentage van het totaal aantal inwoners

2011

WDM, Rabobank

Niet-westerse allochtonen

Aantal niet-westerse allochtonen ten opzichte van de totale bevolking

2012

CBS,
Rabobank

Milieu en leefomgeving

 

 

 

Milieuvervuiling

Aantal vervuilde locaties per hectare zonder buitenwater

2008

RIVM

Nabijheid zorg

De gemiddelde afstand van alle in­wo­ners in een gebied tot gezondheidszorg, berekend over de weg. De gemiddelde afstand omvat de som van de ge­middel­de afstanden tot een huisartsenpraktijk, apotheek, ziekenhuis, consultatiebureau en fysiotherapeut

2011

CBS, Rabobank

Nabijheid winkels

De gemiddelde afstand van alle in­wo­ners in een gebied tot winkels, be­re­kend over de weg. De gemiddelde af­stand omvat de som van de gemiddelde afstanden tot een grote supermarkt, de afstand tot winkels die overige dage­lijk­se levens­mid­delen verkopen en een warenhuis

2011

CBS, Rabobank

Nabijheid horeca

De gemiddelde afstand van alle in­wo­ners in een gebied tot horeca­gelegen­heden, berekend over de weg. De ge­mid­delde afstand omvat de som van de gemiddelde afstanden tot cafés, cafe­taria´s, restaurants en hotels

2011

CBS, Rabobank

Nabijheid kinderopvang

De gemiddelde afstand van alle in­wo­ners in een gebied tot kinderopvang, berekend over de weg. De gemiddelde afstand omvat de som van de gemid­delde afstanden tot een kinderdag­verblijf en buitenschoolse opvang

2011

CBS, Rabobank

Nabijheid onderwijs

De gemiddelde afstand van alle in­woners in een gebied tot scholen, be­rekend over de weg. De gemiddelde afstand omvat de som van de ge­mid­delde afstanden tot een basisschool en een school voor voortgezet onderwijs

2011

CBS, Rabobank

Nabijheid verkeer en vervoer

De gemiddelde afstand van alle in­wo­ners in een gebied tot verkeers- en vervoersknooppunten, berekend over de weg. De gemiddelde afstand omvat de som van de gemid­del­de afstanden tot de oprit van een hoofd­verkeersweg en een treinstation

2011

CBS, Rabobank

Nabijheid vrijetijds- en cultuurvoorzieningen

De gemiddelde afstand van alle in­wo­ners in een gebied tot vrijetijds- en cultuurvoorzieningen, berekend over de weg. De gemiddelde afstand omvat de som van de gemid­del­de afstanden tot een bibliotheek, zwem­bad, museum, podiumkunsten, bioscoop, sauna en attractie

2011

CBS, Rabobank

Ruimte recreatiegebied

Aandeel recreatieoppervlakte ten opzichte van totale oppervlakte

2012

CBS, Rabobank

Persoonlijke onzeker­heid

 

 

 

Aantal misdrijven

Totaal aantal gepleegde misdrijven per 10.000 inwoners. Het gaat hierbij om zedenmisdrijven, geweldsmisdrijven, vervoersmiddelenmisdrijven, woning-gebouwenmisdrijven en overige mis­drij­ven

2011

AD Misdaadmeter, ABF, Rabobank

Aantal ongevallen

Aantal geregistreerde verkeers­on­ge­vallen met dodelijke afloop, behandeling op spoedeisende hulp, behandeling van letsel in het ziekenhuis en licht­ge­won­den per 1.000 inwoners

2011

DVS, ABF, Rabobank

Economische onzeker­heid

 

 

 

Δ werkloosheid

Jaarlijkse verandering van het bij het UWV geregistreerde aantal werk­zoe­kenden als percentage van de beroeps­bevolking (15 tot 65 jaar)

2011

CBS, Rabobank

Δ arbeidsongeschiktheid

Jaarlijkse verandering van het aantal uitkeringen in het kader van de WAO, Wajong, WAZ en WIA, dat aan het eind van de verslagperiode niet was beëindigd als percentage van de beroepsbevolking (15 tot 65 jaar)

2012

CBS, Rabobank

% faillissementen

Aantal opgeheven bedrijfsvestigingen als percentage van het totaal aantal bedrijfsvestigingen

2009

CBS,
Rabobank

Mediane woningprijs

Driejaars voortschrijdend gemiddelde vermenigvuldigd met het aandeel eigen woningbezit

2011

NVM,
Rabobank

Bijlage 2

Indicatorenset kwaliteit van leven later

Variabelen

Definitie

Jaar

Bron

Economisch kapitaal

 

 

 

Ruimte infrastructuur

Oppervlakte infrastructuur ten opzichte van totale oppervlakte. Infrastructuur omvat spoorwegen, hoofdwegen en vliegvelden

2012

CBS, ABF

Solvabiliteit

Eigen vermogen van het bedrijfsleven als percentage van de totale activa

2011

Rabobank

Investeringsratio

Investeringen bedrijfsleven als percentage van de bruto toegevoegde waarde

2011

Rabobank

Innovatie

Aantal banen in R&D-gerelateerde sectoren (dienstverlenende acti­vi­teiten IT en informatie en speur- en ontwikkelingswerk) als per­cen­tage van het totaal aantal banen

2012

ABF

Materiële activa

Aandeel (im)materiële activa ten opzichte van totale activa

2011

Rabobank

Overheidsschuld

Som van de passiva: voorzieningen, langlopende leningen, kortlopende schuld en overlopende passiva minus de activa: langlopende uitzettingen, vorderingen, liquide middelen en overlopende activa per inwoner

2011

CBS,
Rabobank

Menselijk kapitaal

 

 

 

Groene druk

De procentuele verhouding tussen het aantal personen van 0 tot en met 19 jaar ten opzichte van de personen in de zogenaamde 'productieve' leeftijdsgroep van 20 tot en met 64 jaar

2012

ABF

% HAVO- en VWO-leerlingen (in de boven­bouw)

Aantal HAVO-leerlingen (leerjaar 3, 4 en 5) en VWO-leerlingen (leerjaar 3, 4, 5 en 6) ten opzichte van het aantal personen in de leeftijdscategorie 14-20 jaar

2012

CBS, Rabobank

Natuurlijk kapitaal

 

 

 

CO2-uitstoot bedrijfsleven

Totale CO2-uitstoot bedrijfsleven (incl. energiesector) in tonnen ten opzichte van het aantal banen

2009/2010

Emissieregistratie

CO2-uitstoot verkeer

Totale CO2-uitstoot door verkeer (luchtvaart, scheepvaart en wegverkeer) in tonnen per kilometer weglengte

2009/2010

Emissieregistratie

CO2-uitstoot inwoners

Totale CO2-uitstoot van inwoners in tonnen ten opzichte van het aantal inwoners

2009/2010

Emissieregistratie

Ruimte natuur

Oppervlakte bos en natuur (bos, droog en nat natuurlijk terrein) per inwoner

2012

CBS,
Rabobank

Reservaatfunctie flora

Aantal bedreigde plantensoorten per vierkante kilometer

1990-2009

Floron

Variatie flora

Aantal plantensoorten per vierkante kilometer

1990-2009

Floron

Cultureel kapitaal

 

 

 

Archeologische rijksmonumenten

Aantal archeologische monumenten per hectare landoppervlakte

2010

MinOCW, Rabobank

Gebouwde rijksmonumenten

Aantal gebouwde monumenten van nationaal belang per hectare bebouwde landoppervlakte

2010

MinOCW,

Rabobank

Cultuurhistorische monumenten

Aantal aangewezen stads- en dorpsgezichten per hectare bebouwde landoppervlakte

2010

MinOCW,

Rabobank

Bijlage 3

Beschrijvende statistieken

Variabelen

Gemiddelde

St. dev.

Minimum

Maximum

Kwaliteit van leven nu

 

 

 

 

Gemiddeld gestandaardiseerd inkomen

23,4

1,4

20

27,6

Gemiddeld aantal bijstandsgerechtigden

5

1,3

2,7

7,7

Gestandardiseerd sterftecijfer voor mannen

8,2

0,4

7,3

9,3

Gestandardiseerd sterftecijfer voor vrouwen

8,6

0,4

7,5

9,5

Chronische aandoeningen

1602,0

125,0

1260,0

1810,0

Psychische aandoeningen

479,0

44,1

351,0

479,0

% mensen met overgewicht

53,7

4,6

48,4

66,0

% hogeropgeleiden

26,3

6,8

6,6

39,9

Netto-arbeidsparticipatie

68,0

2,6

61,8

72,1

% opkomst Tweede-Kamerverkiezingen

75,3

2,7

70,3

79,6

% opkomst lokale verkiezingen

54,1

3,1

48,5

59,6

% vrijwilligers

14,9

1,5

12,4

17,9

% kerkelijk bezoek

14,8

3,7

10,0

26,9

% niet-westerse allochtonen

11,4

5,7

2,6

26,6

Milieuvervuiling

0,05

0,03

0,02

0,13

Nabijheid zorg

8,6

2,9

4,0

15,7

Nabijheid winkels

4,4

1,6

2,4

9,6

Nabijheid Horecagelegenheden

5,1

1,5

3,3

8,4

Nabijheid kinderopvang

1,8

0.9

1.0

5,1

Nabijheid onderwijs

3,0

1,1

1,7

6,6

Nabijheid verkeer en vervoer

6,8

6,1

3,3

42,4

Ruimte recreatiegebied

2,4

2,0

0,7

10,9

Aantal misdrijven

4,0

0,8

2,4

6,6

Aantal ongevallen

0,3

0,1

0,1

0,5

Δ Werkloosheid

-0,6

0,6

-2,6

0,7

Δ Arbeidsongeschiktheids-uitkeringen

-0,2

0,0

-0,3

-0,1

% faillisementen

6,4

0,7

5,1

8,6

Mediane woningprijs

128,9

23,2

90,9

186,9

Kwaliteit van leven later

 

 

 

 

Ruimte infrastructuur

2,8

1,0

1,2

5,4

Solvabiliteit

28,8

5,4

13,6

41,7

Investeringsratio

20,0

4,1

12,1

33,4

Innovatie

4,0

1,3

1,5

8,1

Materiële activa

42,2

8,9

18,6

59,4

Decentrale overheidsschuld

2705

796,6

1386,0

5448,0

Groene druk

38,5

3,0

31,3

45,3

% HAVO- en VWO-leerlingen

22,5

2,9

17,4

33,3

CO2-uitstoot bedrijfsleven

15,7

35,6

2,0

145,6

CO2-uitstoot verkeer

324,4

148,9

115,4

650,0

CO2-uitstoot inwoners

1,18

0,12

0,95

1,53

Ruimte natuur

0,03

0,03

0,00

0,12

Reservaatfunctie flora

3,2

1,7

0,8

9,2

Variatie flora

188,0

69,0

75,4

549,1

Archeologische rijksmonumenten

0,0

0,0

0,0

0,0

Gebouwde rijksmonumenten

0,1

0,1

0,0

0,3

Aangewezen stads- en dorpsgezichten

0,0

0,0

0,0

0,0

Colofon

Deze Special is een uitgave van het Directoraat Kennis en Economisch Onderzoek van Rabobank.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Het Directoraat aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten. 

Gebruikte afkortingen bronnen: CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek; CPB: Centraal Planbureau; OECD: Organisation for Economic Co-operation and Development; SCP: Sociaal Cultureel Planbureau; WHO: World Health Organisation

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwar­taal­bericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers. Deze studies zijn tevens te vinden op onze website: economie.rabobank.com.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666.

U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Auteur: Ruth van de Belt, senior-econoom, Kennis en Economisch Onderzoek

Eindredactie: Hans Stegeman, hoofd Nationaal Onderzoek, Kennis en Economisch Onderzoek

Redactie: Enrico Versteegh

Productiecoördinatie: Christel Frentz

Graphics: Selma Heijnekamp / Reinier Meijer

© 2013 - Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A., Nederland

Delen:
Auteur(s)

naar boven