RaboResearch - Economisch Onderzoek

Van welvaart naar welzijn, duurzaamheid Nederlandse regio’s

Special

Delen:

Van welvaart naar welzijn

Economische groei is niet waar het alleen om moet gaan in de samenleving. In een tijd dat de eco­nomie nauwelijks groeit, is dit ook geen gedachte om ons aan vast te houden. Vooruitgang is weliswaar belangrijk, maar dan gaat om veel meer dan alleen een stijgend inkomen en toenemende materiële welvaart. Bij deze constatering past de overstap naar een duurzamer groei­mo­del. De ont­wik­keling van een duurzame samenleving is een van de grootste uit­dagingen van de 21ste eeuw. Op internationaal en nationaal niveau wordt al veel onderzoek naar duur­zaamheid gedaan. Deze studie richt zich op de duurzaamheid van Ne­der­land­se regio's en laat zien op welke punten regio's vanuit duurzaamheids­op­tiek goed scoren en waar zorgen over bestaan [1].

Veel mensen denken dat een duurzame ontwikkeling alleen over het milieu gaat, maar het begrip is breder. Naast ecologische ontwikkelingen zijn economische en sociale ontwikkelingen van be­lang voor een duurzame samenleving. Bovendien gaat het niet alleen over de im­pact van ons gedrag op het hier en nu, maar ook over de impact op mensen die elders of later leven. Een ontwikkeling kan alleen duur­zaam zijn als wij onze kwa­liteit van leven op een zodanige manier vormgeven, zodat het welzijn van anderen niet wordt aangetast.

De ontwikkeling van een duurzame samenleving, wat houdt dat eigenlijk in? Bhu­­tan, een klein land hoog in de Himalaya, ging de Westerse wereld hierin voor. In plaats van de welvaart (het Bruto Nationaal Product) introduceerde de ko­ning het Bruto Nationaal Geluk als maatstaf voor de ontwikkeling van zijn land en inwoners. In zijn ogen leidt de eenzijdige nadruk op materiële welvaart niet per definitie tot een groter welzijn van de bevolking. Daarom dient niet het in­ko­men, maar het geluk van de bevol­king de leidraad in het overheidsbeleid te zijn. Het beleid van de koning stelt unaniem dat de ontwikkelingen in het land niet ten koste mogen gaan van cultuur, natuur en milieu en gezondheid. Het is de vraag of dit ook voor Nederland de juiste weg is. Maar een breder welvaarts­be­grip dan economische groei is een weg die we zeker moeten gaan (Van de Belt, 2012).

Maar hoe weten we hoe duurzaam onze samenleving is? Steeds vaker wordt de duurzame ont­wik­keling op nationaal niveau in kaart gebracht (zie bijvoorbeeld CBS et al, 2013). Over de duur­zaam­heid van regio’s binnen onze landgrenzen is echter weinig bekend, terwijl de regionale omgeving de directe leef- en acteer­omgeving van de bevolking omvat en daarmee rechtstreeks van invloed is op het welzijn. Om deze reden ontwikkelde Rabobank een duurzaamheids­mo­nitor voor Nederlandse COROP-regio’s [2] en gemeenten.

In deze Special worden de veertig COROP-gebieden als regio aangeduid. Elk COROP-gebied heeft een centrale kern met een omliggend verzorgingsgebied en blijft binnen de provinciegrenzen (kaart 1). Met deze duurzaamheidsmonitor wordt voor iedere regio zichtbaar wat de aan­dachtspunten zijn voor een duurzame samen­leving, maar ook wat de sterke kwaliteiten zijn. Hiermee draagt de monitor bij aan de discussie met de overheid, het bedrijfsleven en bur­gers over een duurzame ont­wik­keling van Nederlandse regio’s op de lange termijn. De uit­komsten kunnen dienen als input voor de juiste keuzes over onderwerpen die re­gio­naal beleid ver­eisen, zoals de arbeidsmarkt en de woning­markt. Tevens kan de duur­zaam­heids­monitor worden ingezet om het re­gionale be­leid te eva­lueren en wellicht op­nieuw vorm te geven, zodat de kwaliteit van leven van de huidige en toekomstige generatie kan worden verbeterd. De keuze zal per regio verschillen.

Kaart 1: Veertig Nederlandse regio's

Kaart 1: Veertig Nederlandse regio's

Bron: CBS

Voetnoten

[1] ^ Voor een uitgebreide beschrijving en verantwoording van de methodologie, zie de Special 2013/10 Van welvaart naar welzijn – Conceptueel kader en methodologie.

[2] ^ Nederland kent veertig COROP-regio’s (zie figuur in bijlage 1). Elk COROP-regio heeft een centrale kern met een omliggend verzorgingsgebied en blijft binnen de provincie­
gren­zen. 

Duurzaamheidsdimensies

Conceptueel kader en methodologie

Ter bepaling van de regionale duurzaamheid heeft Rabobank een model ont­wik­keld. Een uitgebreide beschrijving en verantwoording van de methodologie kan worden teruggevonden in de Special 2013/10 ‘Van welvaart naar welzijn – Conceptueel kader en methodologie’. In dit hoofdstuk zullen we een korte samenvatting geven.

De duurzaamheidsmonitor meet de kwaliteit van leven in een regio op sociaal, cultureel, ecologisch en economisch gebied (figuur 1). De kwaliteit van leven hier en nu geeft een indicatie van het welzijn van de mensen die op dit moment in Nederland leven. De­­ negen kerndi­mensies die de kwaliteit van leven van de huidige ge­ne­ratie weergeven zijn 1) de ma­­te­riële levens­standaard, 2) ge­zondheid, 3) scholing, 4) per­soon­­lijke acti­viteiten inclusief werk, 5) poli­tie­ke stem en goed be­stuur, 6) sociale ver­ban­den en relaties, 7) mil­ieu en de leef­om­ge­ving, 8) per­soonlijke on­zekerheid en 9) eco­nomische on­­ze­ker­­heid. Omdat de di­men­sie ‘politieke stem en goed bestuur’ veel­­al op na­­tio­naal ni­veau is ge­regeld, heb­ben we deze kern­di­men­sie bui­ten be­schou­­wing gelaten bij de regio­na­le door­ver­taling. Overigens is het belangrijk om op te merken dat deze kern­dimensies on­der­­ling afhankelijk zijn. Ze zijn niet al­leen di­rect van invloed op de kwaliteit van leven, maar soms ook indirect via an­de­re kern­di­men­sies. 

Figuur 1: Conceptueel raamwerk

Figuur 1: Conceptueel raamwerk

Bron: Rabobank

De kwaliteit van leven later heeft betrekking op het welzijn van toekomstige ge­neraties die hier leven. De kwaliteit van leven van toekomstige generaties is af­hankelijk van de beschik­baarheid van hulp­bronnen. De hoeveelheid hulp­bronnen die een samenleving tot haar beschikking heeft, kan worden gemeten aan de hand van de totale kapi­taal­voorraad. Daarbij gaat het om het economische, het menselijke, het natuurlijke en het culturele kapitaal.

De duurzaamheidsscores voor de regio’s zijn berekend aan de hand van 45 va­ri­a­belen waaruit de dimensies bestaan. Hoewel in de praktijk iedereen een regio op een eigen manier beleeft en op zijn of haar manier waarde toekent aan de eigen­schappen van een regio, is in de duurzaamheidsmonitor een keuze ge­maakt voor kenmerken waaraan op basis van een ‘objectief’ gemiddelde een af­weging kan worden gemaakt of ze positief dan wel negatief bijdragen aan de be­tref­fende dimensie van duurzaamheid. De gekozen variabelen geven slechts een grof beeld van de status van duurzaamheid van regio’s. Het ontbreken van ge­ge­vens over verschillende aspecten die we wel graag zouden meten, maakt het lastig om tot een universele en theoretisch tot in de puntjes verant­woorde maat­staf voor duurzaamheid te komen. Dit is een probleem waar nagenoeg eenieder die duurzaamheid wil meten mee te maken heeft. De hier gevolgde aanpak geeft per definitie wel een beter beeld van de duurzame ontwikkeling van regio’s dan alleen kijken naar de hoogte van het BBP [3].

Voetnoten

Duurzaamheid in kaart

Topscoorders en hekkensluiters

Nederland scoort in internationaal perspectief goed met betrekking tot de huidige kwaliteit van leven, maar niet met betrekking tot de kwaliteit van leven ten opzichte van toe­komstige generaties en mensen elders in de wereld. Binnen Nederland bestaan grote regionale verschillen. Dit hoofdstuk gaat in op deze verschillen en be­schrijft de duurzaamheid van de veertig Nederlandse regio’s.

Duurzaamheid op het niveau van Nederland

Voor een klein land als Nederland kan de duur­zaamheid op regionaal niveau niet los worden ge­zien van de duurzaamheid op nationaal en internationaal niveau. Veel dimensies van duur­zaamheid, zoals bijvoorbeeld de kwaliteit van het bestuur, het milieu en de kaders voor onderwijs- en gezond­heidszorgbeleid, worden op nationaal en vaak zelfs op internationaal ni­veau geregeld of beïnvloed. Alle regionale ver­schillen die hierna worden geanalyseerd moe­ten dan ook gerelateerd worden aan het duur­zaamheidsniveau van Nederland als geheel.

Volgens de OECD better life index [4] is Neder­land (bij gelijke gewichten voor alle meegenomen dimensies) het op drie na meest duurzame land van de landen die zijn meegenomen in de vergelijking (zie figuur 2). Deze vergelijking is gebaseerd op aanzienlijk minder variabelen dan de Monitor Duurzaam Nederland van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS, 2011). Ook wordt in deze duur­zaam­heidsdefinitie niet of nauwelijks rekening gehouden met de houdbaarheid van de duurzaamheid voor toekomstige generaties en ten opzichte van andere landen. De CBS-monitor laat zien op welke terreinen het vanuit duurzaamheidsoptiek goed gaat en waar zorgen bestaan waarbij wel een integrale definitie wordt gehanteerd (dus nu, later en elders). Ook hieruit blijkt dat de huidige kwaliteit van leven in Nederland naar Europese maatstaven hoog is. Halverwege 2013 staat Nederland er economisch gezien nog altijd redelijk voor in vergelijking met andere Europese landen. Hoewel de Nederlandse werkloosheid al enkele jaren oploopt, is deze in veel andere Europese landen nog veel hoger. Door de economische crisis is wel de overheids­schuld aanzienlijk toegenomen, zijn de investeringen gedaald en zien Neder­landers hun financiële situatie somberder in. Ook hier geldt echter dat veel andere Europese landen nog zwaarder zijn getroffen (CBS, 2013a).

Figuur 2: Nederland: een relatief duurzaam land

Figuur 2: Nederland: een relatief duurzaam land

Bron: OECD, 2013

Het niveau van welzijn, gemeten in termen van algemene tevredenheid van mensen alsook op basis van objectieve metingen, is in Nederland naar internationale maatstaven hoog en de afgelopen tien jaar in grote lijnen con­stant. Nederlanders schatten hun kwaliteit van leven nu op veel terreinen zelfs ho­ger in dan op basis van objectieve criteria mag worden verwacht. Er zijn echter wel indicaties dat het voor toekomstige generaties moeilijker wordt omhetzelfde welvaartsniveau vast te houden. De huidige kwaliteit van leven is hoog, maar er bestaan zorgen over de dreigende uitputting van ons natuurlijk en menselijk kapitaal. De belangrijkste bedreigingen:

  • Afname van de biodiversiteit. Dit is een grensoverstijgende bedreiging die alleen door internationaal gecoördineerd beleid kan worden aangepakt.
  • De Nederlandse overheidsschuld en toenemende kosten voor zorg en sociale zekerheid. Het is onzeker of toekomstige generaties eenzelfde beroep kunnen doen op de gezondheidszorg, pensioenvoorzieningen en andere sociale verworvenheden als de huidige. Dit is vaak de kern van de politieke discussie over de houdbaarheid van de overheidsfinanciën. Ondanks de oplopende schuld en het nog steeds grote tekort zijn de afgelopen jaren wel stappen gezet naar een betere houdbaarheid van de overheidsfinanciën (CPB, 2012).
  • De investeringen in onderzoek en ontwikkeling (R&D) blijven al jaren op 1,8 procent van het bruto binnenlands product (bbp) steken en Neder­land kent een in Europees opzicht matig opleidingsniveau van de jongere generatie. Beide zaken zijn voor een deel in handen van de overheid. R&D-uitgaven van de Nederlandse overheid zijn in internationaal perspectief laag, onderwijsuitgaven liggen ongeveer op het gemiddelde van de ontwikkelde landen (OECD, 2013; CBS, 2013c).
  • Veel niet-westerse allochtonen in Nederland hebben op diverse terreinen te maken met achterstand. Zo is de werkloosheid verhoudingsgewijs hoog en worden de inkomensverschillen met autochtonen groter.

Onze manier van leven en onze welvaart hebben ook impact op andere landen in de wereld. In vergelijking met de overige EU-landen legt Nederland een relatief grote druk op de natuurlijke hulpbronnen elders in de wereld, met name in ont­wikkelingslanden. Deze druk is het afgelopen decennium toegenomen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld de toegenomen invoer van biomassa en grond­stoffen om in de materiële behoeften van Nederlanders te voorzien. Dit gaat gepaard met een verlies aan biodiversiteit in de betrokken (ontwikkelings-)landen en een toe­name van de uitstoot van broeikasgassen (CBS, 2011).

Duurzaamheid op het niveau van de regio’s

Regionaal zijn er verschillen in duurzaamheid. De regio’s vervullen namelijk ieder hun eigen functie binnen Nederland. Zo kunnen we spreken over typische ‘woon-’ en ‘werkregio’s’. De bevolking en de werkgelegenheid is namelijk niet gelijkmatig over het land gespreid. De Randstad kent veruit de hoogste bevolkingsdichtheid en werkgelegenheidsdichtheid, op afstand gevolgd door Noord-Brabant en Gelderland.

In Zeeland en in de noordelijke regio’s van het land is dit aanzienlijk lager. Deze regio’s beschikken over meer ‘rust en ruimte’. Wat dat betreft vertonen de werkgelegenheid en de bevolking in Nederland praktisch hetzelfde ruimtelijke patroon. Bovendien hangen de ont­wikkeling van de bevolkingsomvang en de werkgelegenheid in grote mate samen (Oevering, 2010). Als gevolg hiervan kunnen we de regio’s indelen in het dichtbevolkte en sterkst verstedelijkte gebied van de Randstad, het relatief dunner bevolkte, maar snel verstedelijkende gebied daaromheen (van Amersfoort tot Zwolle) en het relatief landelijke gebied van de rest van Nederland.

Natuurlijk is bovengenoemde niet de enige oorzaak voor de regionale verschillen. Regio’s bestaan uit meerdere gemeenten die verschillend kunnen scoren op de onderliggende dimensies, maar gezamenlijk de duurzaamheid van de regio be­pa­len. Bij veel dimensies is sprake van een regionaal patroon, doordat meerdere regio’s gemeenten huisvesten met een vergelijkbare samenstelling (bijvoorbeeld in termen van bevolking of werkgelegenheid). Veranderingen in de structuur van regio’s gaan doorgaans langzaam. De door ons gebruikte dimensies zullen daar­mee samenhangend dus ook slechts zeer geleidelijk van waarde veranderen, waardoor de uitspraken die wij hier doen over de duurzaamheid van een regio voor de komende jaren ‘geldig’ zijn.

Meest duurzame regio’s liggen in de Randstad

Onderstaande kaart toont de duurzaamheidsscores van de veertig regio’s. De kaart toont duidelijke verschillen, met de meest duurzame regio’s in de Randstad en de minst duurzame regio’s aan de grenzen van Nederland. Wanneer we de balans opmaken tussen de kwaliteit van leven nu en later op basis van de sociale, culturele, ecologische en economische scores, dan blijkt agglomeratie Haarlem het meest duurzaam, gevolgd door Het Gooi en Vechtstreek en agglomeratie Leiden en Bollenstreek.

Kaart 2: Duurzaamheid van de veertig regio’s

Kaart 2: Duurzaamheid van de veertig regio’s

Bron: Rabobank

Figuur 3 toont de regionale prestaties met betrekking tot duurzaamheid. Het geeft de duurzaamheidsscore van de veertig regio’s weer (in aflopende volgorde), alsook de bijdragen aan de kwaliteit van leven ‘nu’ en ‘later’.

Figuur 3: Ranglijst duurzaamheid Nederlandse regio’s

Figuur 3: Ranglijst duurzaamheid Nederlandse regio’s

Bron: Rabobank

Agglomeratie Haarlem, Het Gooi en Vechtstreek en agglomeratie Leiden en Bollenstreek hebben hun koppositie niet te danken aan hun werk­gelegenheidsfunctie of bijdrage aan de nationale economie. Integendeel zelfs. Zij scoren op alle dimensies van duurzaamheid goed. Er is daarbij vaak sprake van een duidelijke samenhang tussen de verschillende variabelen van duur­zaamheid. Een hoog inkomen, hoog opleidingsniveau, hoge arbeidsparticipatie, hoge maatschappelijke participatie, beperkte economische onzekerheid en een goede milieu- en leefomgeving kenmerken de drie Randstedelijke regio’s. Zij worden omgeven door veel groen waar men kan recreëren, zoals in het Groene Hart en Nationaal Park Zuid-Kennemerland. Ook zijn het cultuurrijke regio’s, met een groot aanbod van monumenten, cultuurhistorische elementen en be­scherm­de stadsgezichten. 

Deze regio’s liggen tegen en tussen de grootstedelijke regio’s en vervullen daarom een belangrijke woon- en overloopfunctie voor mensen die wel dichtbij hun werk willen wonen, maar niet van de drukte van grote steden houden. De kwaliteit van leven in deze drie regio’s is bovengemiddeld, omdat zij door hun investering in de huidige kwaliteit van leven, ook voldoende voorraad hebben opgebouwd voor toekomstige generaties in deze regio’s. Kortom: Agglomeratie Haarlem, Het Gooi en Vechtstreek en agglomeratie Leiden en Bollenstreek hebben een hoog economisch, menselijk, natuurlijk en cultureel kapitaal, waardoor de verwachting is dat de huidige hoge kwaliteit van leven ook in de toekomst kan worden voortgezet.

Een groot deel van deze eigenschappen zien we ook terug op de Veluwe en in Noord-Overijssel en Zuidwest-Gelderland. Zuidwest-Gelderland vormt de overloopregio voor mensen die in een prettige en rustige leefomgeving willen wonen, maar ook op korte afstand van werkgele­genheid in Noord-Brabant, Utrecht en Arnhem/Nijmegen. Opvallend zijn de perifeer gelegen regio’s Noord-Drenthe, Zuidwest-Friesland, Overig Zeeland en de Achterhoek. Zij leveren weliswaar een relatief kleinere bijdrage aan de economie dan de stedelijke regio’s in de Randstad en Noord-Brabant, maar de kwaliteit van leven is hier wel hoger dan gemiddeld. Dit betekent dat deze regio’s over sociaal-economische en ecologische eigenschappen beschikken die de kwaliteit van leven nu aantrekkelijk maakt en ook de duurzaamheid ervan voor toekomstige generaties waarborgen.

Er blijkt in de meeste regio’s een sterk verband te bestaan tussen de kwaliteit van leven ‘nu’ en ‘later’. Regio’s die hoog scoren op de kwaliteit van leven ‘nu’ hebben blijkbaar in het verleden voldoende geïnvesteerd om ook de kwaliteit van leven ‘later’ op een duurzame manier vorm te geven. Omgekeerd zien we hetzelfde patroon: regio’s die benedengemiddeld scoren op de kwaliteit van leven ‘nu’, hebben onvoldoende voorraden ter beschikking om de kwaliteit van leven ‘later’ op een duurzame manier vorm te geven. De drie hekkensluiters vormen hier een duidelijk voorbeeld van: Oost-Groningen, Zeeuws-Vlaanderen en Groot-Rijnmond. In deze regio’s is de duurzame ontwikkeling een belangrijk aandachtspunt, voor nu en in de toekomst. Een opvallende uitschieter is Delft en Westland. De huidige kwaliteit van leven in deze regio bevindt zich op een hoog niveau, maar de kwaliteit van leven later is een aandachtspunt. Dit komt door de benedengemiddelde score op menselijk kapitaal (het aandeel jongeren en het opleidingsniveau van deze generatie), economisch en natuurlijk kapitaal.

Wij zullen in dit hoofdstuk niet alle 12 dimensies en 45 bijbehorende variabelen bespreken die bijdragen aan de duurzaamheid van een regio [5], maar alleen die de belangrijkste verschillen in duurzaam­heid tussen regio’s verklaren. De scores van de regio’s op de overige dimensies en variabelen verschillen weliswaar, maar verklaren in veel mindere mate de regionale verschillen in de totale duurzaamheidsscore. Bovendien zien we dat de variabelen binnen een dimensie redelijk tot sterk met elkaar samenhangen, wat het belang van deze variabelen voor de betreffende dimensie van duurzaamheid aangeeft

Voetnoten

[4] ^ Zie voor een uitgebreide toelichting, methodologie en achterliggende variabelen: http://www.oecdbetterlifeindex.org/

[5] ^ Zie voor de definities van de variabelen de bijlagen in de Special ‘Van Welvaart naar welzijn – Conceptueel kader en methodologie’.

Kwaliteit van leven nu

Regionale verschillen

In welke mate dragen de acht duurzaamheidsdimensies bij aan de huidige kwaliteit van leven in de veertig regio’s? En welke geografische verschillen kunnen we waarnemen?

In figuur 4 is de overall duurzaamheidsscore op de ‘kwaliteit van leven nu’ van de veertig regio’s in Nederland weergegeven. De ranglijst toont wederom duidelijke geografische verschillen en wordt aangevoerd door Randstedelijke regio’s. Agglomeratie Haarlem, Utrecht en Agglo­meratie Leiden en Bollenstreek vormen de Top 3 van meest duurzame regio’s van ‘nu’. Op alle acht dimensies scoren zij bovengemiddeld.Opmerkelijk is wel het gat tussen de eerste vier regio’s en de rest en ook dat de eerste zes plekken door regio’s in de Randstad worden bezet. Oost-Groningen, Delfzijl en omgeving en Zuidoost-Drenthe zijn de hekkensluiters.

Figuur 5 laat de scores op de onderliggende dimensies zien die tot dit resultaat leiden [6] Zoals gezegd dragen niet alle bovenstaande acht dimensies op dezelfde wijze en/of even veel bij aan de regionale verschillen in duurzaamheid. Voor de kwaliteit van leven nu zijn het vooral de materiële levensstandaard, scholing en persoonlijke activiteiten inclusief werk die sterk samenhangen met de kwaliteit van leven. Op het niveau van de variabelen zijn dat sterfte (gezondheid), politieke betrokkenheid op landelijk niveau (sociale verbanden en relaties) en de mediane woningprijs (economische onzekerheid). De overige dimensies en variabelen voegen minder toe aan de verklaring van regionale verschillen en laten we daarom buiten beschouwing.

Figuur 4: Overall score kwaliteit van leven nu
Figuur 4: Overall score kwaliteit van leven nuBron: Rabobank
Figuur 5: Ranglijst kwaliteit van leven nu Nederlandse regio’s
Figuur 5: Ranglijst kwaliteit van leven nu Nederlandse regio’sBron: Rabobank

Concentratie van hoogopgeleiden…

Nederland behoort qua opleidingsniveau tot de middenmoot van de EU, maar laat wel een stijgende trend zien (CBS, 2011). Momenteel is circa 26 procent van de potentiële beroepsbevolking hoogopgeleid. Vooral regio’s met een univer­siteit of met een hoog inkomen huisvesten relatief veel mensen met een hoog oplei­dingsniveau. Bovendien is het aantal mensen met een baan onder hoogopgeleiden relatief hoger dan onder laagopgeleiden. Na afronding van de studie blijven veel hoogopgeleiden in de regio ‘hangen’ vanwege de beschikbaarheid van hooggeschoolde werkgelegenheid. Dat geldt echter in mindere mate in bijvoorbeeld Zuid-Limburg en Groningen.

We zien een sterk verband tussen het aandeel hoog­opge­leiden en het aandeel banen in R&D in regio’s. Hieruit blijkt dat kennis in Nederland voornamelijk in de universiteitsregio’s is geconcentreerd en in gebie­den waar enkele grote bedrijven met een onderzoeksafdeling zijn gevestigd. Regio’s op grote afstand van de centra van werkgelegenheid zien daarom per saldo inwoners vertrekken (Oost-Groningen, Delfzijl en omgeving, Zuid-Limburg en Zeeland). Dit zijn ook regio’s met een lager opleidingsniveau. Mobiliteit hangt sterk samen met opleidingsniveau, wat betekent dat hoogopgeleiden gemakkelijker dan laagopgeleiden elders een baan vinden als dat in hun eigen regio niet lukt (CPB, 2013). Als gevolg hiervan zijn het dan ook met name de laagopgeleiden die achterblijven in de genoemde gebieden.

…leidt tot hoge arbeidsparticipatie

In Nederland heeft circa 70 procent van de 18 tot 65 jarigen een betaalde baan van 12 uur of meer per week. De arbeidsparticipatie in Nederland is relatief hoog, maar het aantal gewerkte uren per persoon is naar Europese maatstaven laag. Belangrijke reden hiervoor is het hoge aandeel van deeltijdarbeid. In geen enkel land wordt zoveel in deeltijd gewerkt als in Nederland. Hierdoor beschikt de gemiddelde Nederlander over relatief veel vrije tijd (CBS, 2011), een vorm van welzijn.

De bevolkingssamenstelling en de mogelijkheden op de arbeidsmarkt bepalen in grote mate de arbeidsparticipatie. Ouderen participeren (vooralsnog) minder op de arbeidsmarkt en bewegen over het algemeen ook minder actief dan jongeren. Dit zien we terug in perifere regio’s die relatief veel ouderen huisvesten. In de Randstad en de HBO-/universiteitsregio’s is sprake van een relatief jonge bevolking die in hoge mate op de arbeidsmarkt participeert (kaart 3). Over het algemeen geldt dat een afgeronde HBO- of universitaire opleiding meer kansen biedt op de arbeidsmarkt dan alleen basisonderwijs of een vmbo-diploma. Ook zien we een sterk verband tussen de arbeidsparticipatie en het welvaartsniveau in regio’s. In Groningen en Friesland is bijvoorbeeld zowel het welvaartsniveau als de arbeidsparticipatie benedengemiddeld. Dit geldt tevens voor Twente, Zeeland en Midden- en Zuid-Limburg. In de regio’s Haarlem en Oost-Zuid-Holland liggen het welvaartsniveau en de arbeidsparticipatie juist relatief hoog.

Kaart 3: Arbeidsparticipatie werkzame beroepsbevolking(15-65 jaar)

Kaart 3: Arbeidsparticipatie werkzame beroepsbevolking(15-65 jaar)

Bron: CBS, Rabobank

…en regionale verschillen in inkomen

Er bestaan – hoewel relatief klein in internationaal perspectief – substantiële inkomensverschillen tussen Nederlandse regio’s. Perifeer gelegen regio’s als de noordelijke provincies, Overijssel, Twente, Limburg en Zeeland hebben een benedengemiddeld huishoudinkomen. Ook grootstedelijke regio’s in het westen van het land (Rijnmond, ‘s-Gravenhage en Amsterdam) hebben een relatief laag wel­vaartspeil. Oorzaak voor het lagere inkomenspeil in de grote steden is dat hier relatief veel laaggeschoolde mensen en ouderen wonen. Ook het aandeel eenoudergezinnen, alleenstaanden en studenten is er hoger. Tevens zorgt een grotere afhan­kelijkheid van uitkeringen in de grote steden voor een lager gemiddeld inkomens­niveau. 

Uit kaart 4 blijkt dat regio’s met een laag inkomen ook veelal een hoog aandeel bijstandsgerechtigden huisvesten en andersom. Het aantal bereikbare arbeidsplaatsen is aan de grenzen van Nederland veel lager dan in het westen van het land. Daarnaast trekken grootstedelijke regio’s (naast hoogopgeleiden) ook veel laagopgeleiden aan voor wie niet altijd passend werk te vinden is.

Kaart 4: Aandeel huishoudens met bijstandsuitkering 

Kaart 4: Aandeel huishoudens met bijstandsuitkering

Bron: CBS, Rabobank

Aan de andere kant staan de ‘rijke’ regio’s Haarlem, Het Gooi en Vechtstreek en Utrecht. Het lagere welvaartspeil van de stad Utrecht wordt gecompenseerd door de rijkdom in Eemland en de Utrechtse Heuvelrug. Deze regio’s huisvesten gemeenten met een gemiddeld zeer welvarende bevolking. Onder de ‘toppers’ bevinden zich ook een paar opvallende regio’s: Oost-Zuid-Holland en Zuidwest-Gelderland. Dit zijn regio’s waar een groot deel van de middenklasse uit de Randstad is neergestreken voor het betere wonen. De gevolgen hiervan zijn een hoog inkomen en weinig uitkeringsgerechtigden. Verder hebben deze regio’s geprofiteerd van verplaatsing van bedrijvigheid en werkgelegenheid vanuit de grootstedelijke regio’s in hun richting. Hierdoor werkt ruim 60 procent van de inwoners in de eigen regio.

Regionale verschillen in inkomen hangen samen met gezondheid…

De meeste Nederlanders zijn positief over hun gezondheid. In 2010/2011 beoordeelde ongeveer 80 procent zijn of haar gezondheid als goed of zeer goed. Nederlanders leven ook steeds langer. Binnen Europa heeft Nederland het op één na laagste sterftecijfer. Dit houdt verband met het feit dat onze gezond­heids­zorg van hoog niveau is. Desondanks zien we regionale verschil­len die kunnen worden gerelateerd aan de sociaal-economische status van mensen. Binnen Nederland zien we dat in regio’s waar het sterftecijfer hoger ligt dan gemiddeld, het inkomen relatief laag ligt, zoals in de perifere regio’s het geval is. Het RIVM heeft uitgerekend dat universitair geschoolde mensen in Nederland zeven jaar langer leven dan laag opgeleide mensen. Deze verschillen worden alleen maar groter (OneWorld, 2012). 

Ondanks dat Nederlanders steeds langer in gezondheid leven, hadden ruim 1,5 miljoen mensen in Nederland in 2012 depressieve klachten. Mensen met een slechtere geestelijke gezondheid hebben ook vaker langdurige aandoeningen en lichamelijke beperkingen en een ongezondere leefstijl dan gemiddeld.

Het toenemende aantal mensen met overgewicht is een serieus probleem (CBS, 2012). Overgewicht en een slechtere gezondheid komen meer voor onder mensen met een lage opleiding en een laag inkomen dan onder mensen met een hoge sociaal-economische status. Dit beeld wordt bevestigd door de regio’s in de kop en de staart van de ranglijst. Kortom: mensen met een lage sociaal-econo­mi­sche status leven vaak ongezonder dan mensen met een hoge status. Hierbij spelen vooral roken, verkeerd eten en alcohol een grote rol.

Oost-Groningen en Zuid-Limburg zijn de regio’s die als slechtst uit de bus komen wat betreft de gezondheid van hun bevolking. Dit heeft voor een deel te maken met de gemiddelde leeftijd van de bevolking, waardoor het aantal chroni­sche aandoeningen relatief hoger ligt dan in andere regio’s. In het zuiden van Limburg speelt de (vroegere) industriële vervuiling de bewoners parten. Veel voormalige werknemers uit de mijnbouw kampen met gezondheidsproblemen (Rutten, 2012). Tevens heeft de regio veel last van industriële (lucht-)vervuiling vanuit het gebied zelf, maar ook vanuit de grensgebieden. De belangrijkste oorzaken voor Oost-Groningen lijken te liggen in de samenhang tussen een vergrijsde bevolking en de sociaal-economische achterstand (Zorg Innovatie Forum, 2009).

…en woningprijs

De prijs op de markt voor koopwoningen is het gevolg van de verhouding tussen vraag en aanbod. Hierbij speelt niet alleen het aantal woningen en het aantal huishoudens een rol, maar is ook de kwaliteit van de woning, de woonomgeving, het besteedbaar huishoudinkomen en de financieringsmogelijkheden van de woningzoekende van belang. Van al deze factoren is het besteedbaar inkomen per huishouden veruit de belangrijkste (Rabobank, 2013). De mediane woningprijs en het inkomen hangen sterk met elkaar samen. Een hoog inkomen heeft een relatief hoge mediane woningprijs tot gevolg, vooral in gebieden die worden gekenmerkt door een aantrekkelijke woonomgeving. De Randstad en Noordoost-/Zuidoost-Noord-Brabant zijn voorbeelden van dergelijke regio’s. 

In het midden van het land is de woningwaarde hoger dan gemiddeld, vooral in Het Gooi- en Vechtstreek. In het noordoosten, het zuidwesten, in Limburg en in de meeste grote gemeenten is de woningwaarde juist relatief laag. Grote ge­meen­ten hebben naar verhouding ook een groter aandeel sociale huurwoningen ten opzichte van koopwoningen, wat huishoudens met een lager inkomen aan­trekt.

Politieke participatie van belang voor welzijn in de regio’s

Over het algemeen is de betrokkenheid van burgers bij landelijke verkiezingen groter dan bij lokale verkiezingen. Bij de landelijke verkiezingen in 2010 bracht circa 75 procent van de kiesgerechtigden zijn stem uit, tegenover 54 procent bij de gemeenteraadsverkiezingen in datzelfde jaar (kaart 5). Opvallend is dat de keuze voor politieke partijen landelijk en lokaal gezien nogal van elkaar afwijkt. Bijna een kwart van de stemmen tijdens gemeenteraadsverkiezingen ging naar lokale partijen, terwijl men op landelijk niveau vooral op de ‘grotere’ partijen stemt. Blijkbaar zijn mensen van mening dat lokale partijen de inhoud van lo­kaal en regionaal beleid beter kunnen afstemmen op de behoeften van de regio. Opvallend is ook dat in de grootstedelijke agglomeraties van Amsterdam, Rot­ter­dam en Den Haag de verkiezingsopkomst bij zowel de landelijke als de gemeenteraadsverkiezingen lager is dan gemiddeld. Een verklaring hiervoor is het opleidingsniveau van de bevolking. Laagopgeleiden zijn namelijk gemiddeld minder politiek betrokken dan hoogopgeleiden. Ook hebben zij minder vertrou­wen in de politiek (CBS, 2012). De politieke participatie is over het algemeen het hoogst in regio’s die diagonaal over het land liggen, van Zeeland tot aan Groningen (met daarbinnen een groot deel zogenoemde biblebelt regio’s). De kerk speelt een grote rol in het sociaal normerende gedrag, waarbij de onderlinge verbondenheid en die met de samenleving worden gestimuleerd.

Kaart 5: Opkomst Tweede Kamerverkiezingen 

Kaart 5: Opkomst Tweede Kamerverkiezingen

Bron: Kiesraad, Rabobank

Grootstedelijke regio’s hebben gemeenschappelijke aandachtspunten

Naast verschillen tussen de topscoorders en hekkensluiters in de ranglijst, zien we ook duidelijke verschillen binnen de Randstad. Uit figuur 5 blijkt dat grootstedelijke regio’s als Amsterdam, Rotterdam en Den Haag belangrijke aandachtspunten hebben om de kwaliteit van leven ‘nu’ te verbeteren. Deze aandachtspunten richten zich voornamelijk op de materiële levensstandaard, sociale verbanden en relaties en persoonlijke onzekerheid.

Oorzaak hiervoor is dat de sociaal-economische verschillen in sterk verstede­lijkte gebieden groter zijn dan in de landelijke gebieden. De grote inkomens­verschillen en de concentratie van lagere inkomens in de grote steden uiten zich onder andere in het aantal misdrijven. Vooral in de Randstad zijn gevoelens van onveiligheid sterker en is er meer criminaliteit (CBS, 2012). De spanning tussen bevolkingsgroepen kan een gevolg zijn van de ervaren criminaliteit. De vier groot­stedelijke regio’s huisvesten relatief veel niet-westerse allochtonen (kaart 6). In Rotterdam, Den Haag en Amsterdam is ruim een derde van de bevolking niet-westers allochtoon, in Utrecht een vijfde. Bovengenoemde factoren leiden daarom ook tot een mindere sociale samenhang in groot­stedelijke regio’s. Regio­naal gezien is de criminaliteit vooral laag in de noordelijke provincies, Overijssel en Zeeland. Dit komt, naast de kleinere sociaal-economische verschillen, doordat de sociale controle in landelijke gebieden over het algemeen groter is.

Kaart 6: Aandeel niet-westerse allochtonen

Kaart 6: Aandeel niet-westerse allochtonen

Bron: CBS, Rabobank

Ook staan de inwoners van de Randstad (en vooral de vier grootstedelijke regio’s) over het algemeen bekend om hun sterke mate van individualisering, terwijl de bewoners in het zuiden en oosten van ons land meer waarde hechten aan activiteiten binnen sociale structuren. Landelijke en weinig verstedelijkte gebieden buiten het westen staan daarom bekend om de sterkere sociale binding.

In de regio’s rondom Rotterdam en Den Haag is daarnaast de economische onzekerheid een aandachtspunt. De economische structuur van de regio Rotterdam is vooral op de conjunctuurgevoelige haven en aanverwante sectoren gericht. Als gevolg van de economische crisis zijn vooral banen in deze sectoren verloren gegaan. De regio Den Haag heeft veel dienstverleners en een groot ambtenarenapparaat. De afgelopen jaren is als gevolg van de overheids­bezuinigingen ook in de collectieve sector het aantal banen fors verminderd. Het gevolg is dat deze regio’s momenteel worden gekenmerkt door een (zeer) ruime arbeidsmarkt. De afname van het aantal vacatures en de toename van het aantal geregistreerde werkzoekenden is hiervan de oorzaak (UWV, 2012).

Conclusie

De materiële levensstandaard, gezondheid, scholing en persoonlijke activiteiten inclusief werk zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en hebben een sterke in­vloed op de kwaliteit van leven. Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe hoger de arbeidsparticipatie en sociaal-economische status en hoe beter de gezondheid. We zien hierbij grote regionale verschillen. Vooral de universiteitsregio’s en de regio’s rondom de grootstedelijke gebieden scoren hoog op deze dimensies. Grootstedelijke regio’s hebben vooral te kam­pen met sociaal-economische problematiek: de criminaliteit en het aantal bijstandsgerechtigden is er relatief hoog en er is sprake van een beperkte sociale samenhang. In de regio’s rondom Rotterdam en Den Haag gaat het daarnaast ook om een relatief hoge werkloosheid.

Kenmerkend voor de perifere regio’s in Nederland is dat zij laag scoren op bovengenoemde dimensies, maar juist goed scoren op andere dimensies van duurzaamheid. De sociale samenhang (sociale verbanden en relaties) is in perifere regio’s bijvoorbeeld groter dan in de Randstad en de persoonlijke onzekerheid is lager. Dit uit zich bijvoorbeeld in een hoge maatschappelijke participatie in de vorm van vrijwilligerswerk, maar ook een lagere criminaliteit als gevolg van een sterkere sociale controle.

Voetnoten

[6] ^ Zie voor berekeningswijze ook onze special Special ‘Van Welvaart naar welzijn – Conceptueel kader en methodologie’.

Kwaliteit van leven later

Regionale verschillen

In welke mate dragen de vier duurzaamheidsdimensies bij aan de toekomstige kwaliteit van leven in de veertig regio’s? En welke geografische verschillen kun­nen we waarnemen?

In figuur 6 is de overall duurzaamheidsscore op de ‘kwaliteit van leven later’ van de veertig regio’s in Nederland weergegeven. Hierbij zien we dat Agglomeratie Haarlem, Het Gooi en Vechtstreek en Zuidoost-Zuid-Holland de Top 3 van meest duurzame regio’s ‘later’ vormen. Zij beschikken over een groot economisch, menselijk en cultureel kapitaal. Zeeuws-Vlaanderen, Overig-Groningen en Oost-Groningen zijn de hekkensluiters. Het menselijk en natuurlijk kapitaal staat hier onder druk. De scores op de onderliggende dimensies die tot dit resultaat heb­ben geleid, zijn zichtbaar in figuur 7.

Figuur 6: Overall score kwaliteit van leven later
Figuur 6: Overall score kwaliteit van leven laterBron: Rabobank
Figuur 7: Ranglijst kwaliteit van leven later Nederlandse regio’s
Figuur 7: Ranglijst kwaliteit van leven later Nederlandse regio’sBron: Rabobank

Het menselijk kapitaal vertoont een sterke samenhang met de kwaliteit van le­ven later en bepaalt daardoor het meest de regionale verschillen in duurzaamheid. De overige drie dimensies een minder duidelijk beeld. Van de vier kapitaalvormen staat het behoud van natuurlijk kapitaal in Nederland er volgens het CBS (2011) het slechtst voor. Daarom besteden we wel aandacht aan een variabele van het natuurlijk kapitaal, namelijk de CO-uitstoot.

Toenemende druk op de leefomgeving

Nederland is één van de dichtstbevolkte en meest welvarende landen ter wereld. Veel land is door ons in gebruik genomen voor landbouw, wonen, werken en infra­structuur en daardoor is door de jaren heen al flink ingeteerd op de natuur­lijke hulpbronnen. Vooral door deze ruimtelijke druk staan de hoeveelheid natuur en de biodiversiteit in Nederland onder druk. Door de groei van de bevolking en in iets mindere mate de economie neemt de behoefte aan ruimte ook nog steeds toe (CBS, 2011). Bovendien hebben het gedrag van de bevolking en het be­drijfs­leven invloed op de uitstoot van CO2 en dus op de kwaliteit van natuur en biodiversiteit.

De CO2-uitstoot per inwoner is vooral hoog in het noorden (Groningen, Fries­land en Drenthe) en zuiden (Zeeland, Noord-Brabant en Limburg) van Nederland. Een verklaring hiervoor is dat de afstanden tussen wonen en werken en tussen wonen en voorzieningen hier groter zijn dan in de Randstad. Mensen verplaatsen zich daardoor meer met de auto, ook omdat het openbaar vervoer in de landelijke gebieden (als gevolg van een lagere bevolkingsdichtheid) minder frequent rijdt. De CO2-uitstoot van het bedrijfsleven heeft tevens een herken­baar patroon. In Nederland hebben we enkele geconcentreerde industrieregio’s, zoals in Groot-Rijnmond, Zeeuws-Vlaanderen (Dow Chemicals), IJmond (waar de hoogovens zijn gevestigd) en Delfzijl en omgeving (de Eemshaven en de grote concentratie van chemiebedrijvigheid). Als gevolg hiervan stijgt in deze regio’s de CO2-uitstoot boven het landelijke gemiddelde uit.

De CO2-uitstoot als gevolg van verkeer (congestie) is vooral hoog in de vier groot­stedelijke regio’s van Den Haag, Rotterdam, Utrecht en Amsterdam. Dit zijn immers de werkgelegenheidscentra van Nederland. De belasting van de natuur­lijke omgeving en de infrastructuur kan de draagkracht van grootstedelijke re­gio’s te boven gaan. Er is veel congestie op de wegen en de omgeving wordt gekenmerkt door geluidshinder en horizonvervuiling. Omdat steeds meer men­sen wonen, werken en recreëren in en rondom steden, is het voor stedelijke regio’s essentieel om een goede balans te behouden tussen economische groei, milieu en het welzijn van mensen (USI, 2013).

Box 1: Pendeldruk

Nederlanders zijn van alle Europeanen de meeste tijd kwijt met het reizen tussen werk en huis (CBS, 2011). Dagelijks reizen bijna 4,5 miljoen werknemers van hun woonplaats in de ene gemeente naar hun werk in een andere gemeente. Eind 2011 werkte bijna 56 procent van de werknemers in een andere gemeente dan waar zij woonden (CBS, 2013b).

Nederland kent typische ‘woon-’ en ‘werk-regio’s’, met grote regionale verschillen in woon-werkbalans als gevolg. Slechts een kwart van de veertig regio’s heeft een positief pendelsaldo. Dit zijn regio’s verspreid over het land met een belangrijke werkgelegenheidsfunctie voor de omgeving. In het noorden zijn dit bijvoorbeeld Groningen, Meppel en Zwolle, in het midden Apeldoorn en Utrecht, in het westen Amsterdam, Den Haag, Delft en Rotterdam en in het zuiden Den Bosch en Eindhoven. Vooral de hoge werkgelegenheids­functie van Groot-Amsterdam zorgt voor een grote forenzenstroom vanuit omliggende regio’s. De zes regio’s van Noord-Holland en Flevoland hebben allemaal een negatief pendelsaldo, dat voornamelijk op Groot-Amsterdam is gericht. De forenzenstromen die hiermee gepaard gaan, leiden tot drukte in het openbaar vervoer, files op de snelwegen, milieubelasting en niet in de laatste plaats tot minder vrije tijd.

Om de negatieve gevolgen van de pendeldruk op het natuurlijk kapitaal te verminderen, is het wenselijk om het woon-werkverkeer zo veel mogelijk te beperken. Enerzijds kan dit worden bereikt door als bedrijfsleven het Nieuwe Werken zoveel mogelijk te stimuleren. Anderzijds door werkgelegenheid te behouden, maar dit hangt ook af van de conjunctuur en het beschikbare arbeidsaanbod in de regio. Kortom: hoe meer inwoners in de eigen regio aan de slag kunnen hoe beter dit is voor de regio, zowel sociaal, economisch als ecologisch gezien.

Toekomstig regionaal arbeidspotentieel

In het hoofdstuk ‘kwaliteit van leven nu’ werd gerefereerd naar het belang van het opleidingsniveau voor onder andere het inkomen en de gezondheid van mensen. Het opleidingsniveau van de huidige tieners is dan ook van cruciaal belang voor ons toekomstig menselijk kapitaal.

Nederlandse jongeren nemen tegenwoordig langer deel aan het voltijdonderwijs, maar per onderwijssoort zijn er grote verschillen. De deelname van 15- tot 18-jarigen aan het vmbo is de afgelopen tien jaar fors minder geworden, de deelname aan havo/vwo juist sterk gegroeid (CBS, 2012). Regionaal zien we grote verschillen in de deelname van jongeren aan het havo/vwo onderwijs. Grootstedelijke regio’s als Rotterdam, Amsterdam en Den Haag, maar ook de regio’s aan de randen van ons land, scoren relatief laag op menselijk kapitaal. Een verklaring hiervoor is de sociaal-economische status van de ouders van scholieren (sociale stratificatie). We zien namelijk een sterk verband tussen de materiële levensstandaard en het menselijk kapitaal. Daarnaast valt specifiek de provincie Groningen op door het hoge percentage zeer zwakke middelbare scholen (Inspectie van het Onderwijs, 2010).

Groningen wordt ook gekenmerkt door een relatief oudere en een deels krimpende bevolking. Dit geldt ook voor Arnhem/Nijmegen, delen van Lim­burg en Zeeuws-Vlaanderen. Opvallend is dat ook een groot deel van de Rand­stad relatief weinig jongeren in de leeftijdscategorie tot 20 jaar kent (kaart 7), in tegenstelling tot de noordoostelijke regio’s van ons land. Pas na de middel­bare school vertrekken deze jongeren naar de Randstad voor studie en/of werk.

Indien een belangrijk deel van de economische basis afbreekt, kan een einde komen aan de groei in een regio. De regio verliest haar aantrekkingskracht en dat kan er toe leiden dat bedrijven en inwoners wegtrekken. Groei slaat dan om in krimp en dit heeft consequenties voor het menselijk kapitaal van een regio. De kans hierop is vooral aanwezig in regio’s waar de economische basis beperkt blijft tot één sector, zoals in Zuid-Limburg en Twente het geval was, en veel minder in regio’s met een gevarieerde economische structuur (Oevering, 2010). In Groningen en Limburg is de overheid samen met het bedrijfsleven en onder­wijsinstellingen al tientallen jaren bezig om de economische structuur te verste­vigen en te diversificeren. Dit doen zij door te investeren in sectoren die passen bij het gebied, zoals een biobased economy in Groningen en chemie en life­science in Limburg. Dit zijn zeer lastige en langdurige trajecten, die ook niet altijd even succesvol zijn. De effecten hiervan zullen we pas op de lange termijn kunnen meten.

Kaart 7: Groene druk: aandeel jongeren < 20 jaar t.o.v. 20-64 jaar 

Kaart 7: Groene druk: aandeel jongeren < 20 jaar t.o.v. 20-64 jaar

Bron: ABF

Conclusie

De grootstedelijke regio’s in de Randstad zijn weliswaar de spil in de Neder­land­se economie voor wat betreft productie en werkgelegenheid, maar ze kunnen niet tot de meest duurzame regio’s worden gerekend. Als gevolg van de concen­tratie van economische bedrijvigheid wordt de natuurlijke omgeving belast met een hoge CO2-uitstoot. Het natuurlijk kapitaal is van invloed op de productie­processen van zowel het agrarische als het overige bedrijfsleven, maar ook op onze gezondheid. Zowel het bedrijfsleven als de bevolking oefe­nen druk uit op het milieu. De CO2-uitstoot per inwoner is vooral hoog in het noorden en zuiden van Nederland, wat het gevolg is van de langere afstand tot werk en voorzieningen. Dit geldt ook voor de uitstoot van het bedrijfsleven in de zogenoemde agrarische en industrieregio’s.

Het menselijk kapitaal is niet alleen van belang voor verhoging van het inkomen en de arbeidsproductiviteit, maar ook voor het welzijn van een regio in termen van het in stand houden van voorzieningen en het bedenken van oplossingen voor maatschappelijke problemen. Het opleidingsniveau van de huidige gene­ratie schoolverlaters is hierin van belang. Zij zijn immers de toekomstige verdiencapaciteit van de regio. Vooral in de noordelijke, oostelijke en de zuidelijke delen van ons land zien we dat het menselijk kapitaal een aandachtspunt is voor de toekomst. Uitzonderingen daarop vormen Overig Gronin­gen ( studentenstad Groningen) en Zuidoost-Noord-Brabant (Eindhoven). 

En nu?

De stuurbaarheid van regionale duurzaamheid

In deze duurzaamheidsspecial is de duurzaamheid van de veertig Neder­landse regio’s in kaart gebracht. Hierbij is per regio inzichtelijk gemaakt wat de bijdrage is van de verschillende dimensies op de kwaliteit van leven nu en later. Het constateren van verschillen in duurzaamheid is een begin. Het ver­volg is lastiger. Want hoe kunnen we werken aan verbetering van duurzaam­heid?

Een groot deel van duurzaamheid wordt op nationaal niveau bepaald

In internationaal perspectief scoort Nederland relatief goed op de huidige kwali­teit van leven. Dat geldt eigenlijk voor bijna alle dimensies van duurzaamheid nu, maar in mindere mate voor later en ‘elders’. Onze materiële levensstandaard is zo hoog dat we veel meer natuurlijke hulpbronnen gebruiken dan houdbaar is voor later en ten opzichte van andere landen in de wereld. Naast de zorgen om het natuurlijke kapitaal bestaan er ook zorgen over ons menselijk kapitaal. In Europees opzicht kent de jongere generatie in Nederland een matig opleidings­niveau. Tegen deze achtergrond moeten de verschillen tussen regio’s binnen Nederland worden geïnterpreteerd. Een in Nederland relatief minder duurzame regio kan in vergelijking met veel andere landen over het algemeen nog best goed scoren.

Daarnaast speelt een grote rol dat behoorlijk wat duurzaamheidsdimensies vooral op nationaal niveau worden bepaald. Denk daarbij aan de kwaliteit van instituties, maar bijvoorbeeld ook het beleid op het gebied van onderwijs en gezondheidszorg. Andere dimensies, zoals biodiversiteit, zijn zelfs niet of nau­we­lijks op nationaal niveau te beïnvloeden. Regionale duurzaamheid is dus voor een groot deel de uitkomst van ontwikkelingen die zich op een bovenregionaal niveau afspelen. Daardoor is de ‘maakbaarheid’ van de duurzaamheid in de regio beperkter dan die op een hoger beleidsniveau.

Geografische spreiding van duurzame regio’s

Bij de regionale verschillen binnen Nederland hebben we de duurzaamheid ‘elders’ buiten beschouwing gelaten. Dit omdat dat binnen Nederland lastig te operationalise­ren is en omdat de belangrijkste verschillen op deze dimensie ook internationaal zijn.

De Randstad huisvest de meest duurzame regio’s van Nederland. In de regio’s rondom de grootstedelijke gebieden, de ‘overloopregio’s’, is het goed vertoeven: wonen in de buurt van werkgelegenheidscentra en tegelij­kertijd kunnen profiteren van het gunstige leefklimaat in de eigen regio. Maar niet alle duurzame regio’s zijn in de economisch krachtige Randstad gelegen. Ook sommige regio’s daarbuiten scoren relatief hoog. Daarbij zijn het niet zozeer de economische variabelen waarop deze regio’s goed scoren, maar bijvoor­beeld leefomgeving en sociale cohesie.

De minst duurzame regio’s worden gekenmerkt door een relatief lage score op de sociale, culturele, economische en ecologische dimensies. Dit zijn voornamelijk de grensregio’s. Delfzijl en omgeving en Zuid-Limburg hebben binnen dit geheel een aparte status. De huidige kwaliteit van leven is een aandachtspunt, maar zij hebben wel voldoende voorraad opge­bouwd voor de toekomstige generatie. In Delfzijl en omgeving heeft dit betrek­king op het economische en culturele kapitaal. In Zuid-Limburg komt daar het natuurlijke kapitaal nog bij.

Multidimensionale duurzaamheidsverschillen…

Doordat duurzaamheid zoveel verschillende dimensies kent, is er geen eenduidig recept voor het werken aan een duurzamere regio. De economisch krachtige regio Groot-Amsterdam scoort bijvoorbeeld slecht op de dimensie persoonlijke onzekerheid door de relatief hoge criminaliteit. Voor een regio als Oost-Groningen geldt exact het omgekeerde. Dus een regio kan eenzelfde score hebben op het totaal van duurzaamheid zowel nu als later, terwijl de duurzaamheidsbeleving – hoe is het om op dit moment in die regio te wonen – een totaal andere kan zijn.

Ten eerste komt dit door persoonlijke voorkeuren. Als je hecht aan de dynamiek van de stad, het culturele leven en de nabijheid van werk, dan ervaar je een grootstedelijke omgeving als de juiste plek voor jezelf. Zoek je daarentegen rust en stabiliteit en een groene omgeving, dan is een plek buiten de stedelijke regio’s meer voor de hand liggend. Wie in een regio woont die niet overeenkomt met zijn of haar persoonlijke wensen, ervaart de regio als minder prettig.

Ten tweede ontgaat ons in het leven van dag tot dag een deel van de effecten op de kwaliteit van leven later. We zijn niet elke dag bezig met de consequenties van ons gedrag nu, bijvoorbeeld dat we eigenlijk teveel met de auto rijden. Vaak is de kwaliteit van leven nu dominant: het feit dat we ons een auto kunnen veroorloven en daarmee kunnen rijden is voor velen belangrijker dan de externe effecten op de leefbaarheid later.

Deze verschillen in beleving van duurzaamheid moeten altijd in het achterhoofd worden gehouden bij het trachten de duurzaamheid te verbeteren. Wat voor de ene persoon een vooruitgang in duurzaamheid kan betekenen, kan nog steeds voor de ander – nu, elders of in de toekomst – een verslechtering zijn.

…vragen om gedifferentieerde aanpak…

In deze studie hebben we aangetoond waardoor de regionale verschillen in duur­zaamheid kunnen worden verklaard. Bepaalde factoren, zoals de ligging van een regio, economische structuur of bevolkingskrimp, zijn een gegeven en niet of nauwelijks te beïnvloeden. Factoren die wel te beïnvloeden zijn, zijn dat slechts in beperkte mate op regionaal niveau, zoals een hoger gemiddeld opleidingsniveau.

Investeren in het opleidingsniveau van de bevolking leidt tot een hogere ar­beids­participatie, een hoger inkomen van huishoudens en een betere ge­zondheid. Maar dat hogere opleidingsniveau komt er alleen als er ook werk­gelegenheid is voor hoger opgeleiden. En het veranderen van de werkgele­genheidsstructuur duurt vaak zeer lang.

Een regio heeft zowel op langere als korte termijn wel een aantal mogelijkheden om beleid te voeren ten aanzien van duurzaamheid. Op de langere termijn gaat het om keuzes die gemaakt kunnen worden ten aan­zien van ruimtelijke ordening en infrastructuur. Een goede bereikbaar­heid van en naar gebieden waar werkgelegenheid is, kan een regio aantrekke­lijker maken om te wonen. Dit geldt zeker voor hoger opgeleiden. Ook de woningvoorraad, met daarbij de verhouding huur-koop verdient in zo’n lange termijn planning voldoende aandacht. En dat is verder kijken dan de huidige malaise op de woningmarkt. Want een goede mix in de woningvoorraad kan bijdragen aan een aantrekkelijk leefklimaat.

Op kortere termijn is de opgave voor duurzaamheid in verschillende regio’s anders. Regio’s die relatief slecht scoren zoals in de grensregio’s is de sociaal-economische ontwikkeling van de bevolking het belangrijkste doel. De voor­naamste aandachtspunten richten zich op verbetering van de gezondheid van de inwoners, versterking van de maatschappelijke (politieke) participatie en verho­ging van de arbeidsparticipatie en het opleidingsniveau. Zo wordt voorkomen dat de kwaliteit van leven voor de huidige en toekomstige generatie verder afwijkt van de overige Nederlandse regio’s.

Hoewel deze grensregio’s objectief gezien voldoende aandachtspunten hebben om de kwaliteit van leven te verduurzamen, spelen op de achtergrond ook andere zaken mee waar rekening mee moet worden gehouden. Grensregio’s hebben sociaal-economische contacten met onze buurlanden. Regionale interactie op het gebied van wonen, werken en voorzie­ningen houdt dus niet op bij de landsgrenzen. Dit kan grensregio’s aantrekke­lijker maken als verblijfplaats, mits de connectiviteit en mobiliteit op peil blijven in vergelijking met andere regio’s. Verdergaande Europese integratie is daarom vooral voordelig voor grensregio’s.

Grootstedelijke regio’s hebben te kampen met sociaal-economische problemen: de criminaliteit en het aantal bijstandsgerechtigden is er relatief hoog en er is sprake van een beperkte sociale samenhang. In de regio’s Rotterdam en Den Haag gaat het daarnaast ook om de economische onzekerheid, zoals werk­loosheid. De grootstedelijke regio’s zullen voor een duurzame toekomst dan ook prioriteit moeten stellen aan de sociaal-economische problematiek van haar inwoners en aan het beperken van de ecologische druk. Dit is van belang om bijvoorbeeld de tegenstelling tussen niet-westerse allochtonen en autochtonen zoveel mogelijk terug te dringen en de kwaliteit van de fysieke leefomgeving te verbeteren. Veel wordt al gedaan door de overheid en maatschappelijke organisaties. Het vraagt voor de toekomst echter wel continu aandacht.

De huidige uitdagende financieel-economische situatie en de relatief sombere vooruitzichten maakt de noodzaak om de samenleving op een andere wijze te benaderen en in te richten nog urgenter. Regionale overheden kunnen immers niet langer uitgaan van de geldstromen van Rijk en Provincie. De dynamiek in een regio is namelijk ook van andere belanghebbenden afhankelijk en in toe­nemende mate bepalend voor het ontwikkelen van een toekomstperspectief voor de regio. De rol van die andere partijen, burgers, bedrijfsleven, wordt dan ook bij een duurzame ontwikkeling steeds belangrijker.

…door verschillende partijen

Het bedrijfsleven heeft een rol bij het in stand houden van de facetten die nodig zijn om de samenleving en de ruimtelijke kwaliteit voort te zetten. Bedrijven en de samenleving waarin zij functioneren, kunnen immers niet los van elkaar worden gezien. In het bedrijfsleven wordt duurzaamheid vaak bena­derd vanuit een ecologisch perspectief. Bedrijven proberen in dit kader hun pro­duc­tieproces dusdanig vorm te geven dat de schade aan milieu en omgeving beperkt blijft. Een overgang naar een meer circulaire manier van bedrijfsvoering kan bijdragen aan de duurzaamheid (TNO, 2013). Daarnaast speelt de sociale component van duurzaamheid steeds vaker een rol in het bedrijfsleven. Bedrijven geven hier invulling aan door bijvoorbeeld bewust mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt in dienst te nemen of door in meer algemene zin de omgeving bij de bedrijfsvoering te betrekken. Uiteindelijk gaat het erom dat het bedrijfsleven invloed kan uitoefenen en daardoor een bijdrage te leveren aan een duurzaam toekomstperspectief voor de regio waarin zij actief is. Naast be­houd en versterking van het ecologische kapitaal, gaat het uiteindelijk ook om behoud en versterking van het economische en menselijke kapitaal.

Een sterke ‘civil society’ is nodig om het gat dat de overheid achterlaat (als gevolg van intrekking van subsidies) te vullen. We zien vanuit de maat­schappij steeds creatievere ideeën ontstaan om het gat tussen overheid en markt te overbruggen. Vooral in de meer afgelegen gebieden. Bijvoorbeeld een supermarkt die toch open kan blijven door vrijwilligers. Ook zien we dat in plaats van voedsel, goederen en diensten te kopen, er op grote schaal wordt geruild en gedeeld. Volgens Time Magazine (2011) is collaborative consumption, zoals het op grote schaal delen en lenen van pro­ducten en diensten, zelfs een van de tien ideeën die de wereld zullen veran­de­ren. Ook zaken als mantelzorg, een groter beroep op vrijwilligers bij bijvoor­beeld sportverenigingen en het versterken van sociale cohesie door burger­initiatieven wordt steeds belangrijker. Maar het organiseren van maatschappelijke betrokkenheid en maatschappelijke participatie laat zich niet afdwingen. Maar aanmoedigen en faciliteren van maatschappelijke participatie is meer dan ooit nodig voor een duurzame economische ontwikkeling.

Regionaal turen of duurzaam sturen?

Zowel de landelijke als de regionale beleidsmakers hebben nog steeds de nei­ging zich te richten op alleen de ‘harde’ economische kant van welzijn en welvaart: economische groei en houdbaarheid van de overheidsfinanciën als maatstaf van hoe het gaat met een land of regio. Dat is een veel te beperkte agenda. Een sociaal-economische agenda moet zowel de materiële als de immateriële kant van de kwaliteit van leven bevatten, waarbij alle actoren, overheid, burgers en bedrijven dienen te worden meegenomen (Stegeman en Van de Belt, 2013). Alleen op die manier kan een goede beleidsmatige afweging worden gemaakt met betrekking tot sociaal-economisch beleid. Durf te saneren als het nodig is, maar durf ook te investeren en daag daartoe ook uit. Geef ruimte aan duurzame en innovatieve voorzieningen die recht doen aan de kwaliteiten van de regio. De overheid heeft dus vooral een voorwaarden­scheppende en faciliterende rol. 

Het streven naar een duurzame samenleving zou dus centraal moeten staan. Daarmee is niet gezegd dat economische groei en materiële vooruitgang niet belangrijk is. Sterker nog, de huidige economische stagnatie en de magere vooruitzichten verslechteren in vele opzichten de duurzaamheid van de samen­leving. Een verbetering komt pas tot stand als we echt over gaan naar een meer ‘inclusieve’ benadering van welzijn. In het streven naar een duurzame regio wordt de concurrentie tussen regio’s hopelijk alleen maar sterker. Bijvoorbeeld in termen van kwaliteit van de woonomgeving en hoogopgeleide mensen. Hierbij dient het niet zozeer te gaan om het streven naar meer econo­mische groei, maar naar een betere kwaliteit van leven. Als regio’s ook de effecten merken van concurreren op meer aspecten dan alleen economische, versterkt dat de kwaliteit van leven nu, later en ook elders in Nederland. Een grote uitdaging die inspanningen van overheid, bedrijfsleven en burgers vergt, maar wel bijdraagt aan het welzijn van de huidige en toekomstige generatie. Welzijn is immers meer dan welvaart.

Literatuurlijst

CBS et al (2011). Monitor Duurzaam Nederland. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2012). De Nederlandse samenleving 2012. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2013a). Update Monitor Duurzaam Nederland, juli 2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS (2013b). Meer dan de helft van de werknemers is forens. Webmagazine CBS, vrijdag 7 juni 2013.

CBS (2013c). ICT, Kennis en economie 2013. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CPB (2011). Nederlandse onderwijsprestaties in perspectief. Den Haag: Centraal Planbureau.

CPB (2013). Wordt de wereld plat of is er toekomst voor de stad? Economische krachten achter verval en opleving van steden. Den Haag: Centraal Planbureau.

CPB (2012). Actualisatie Nederlandse economie tot en met 2017 (verwerking Regeerakkoord). Den Haag: Centraal Planbureau.

Inspectie van het Onderwijs. Jaarverslag 2009/2010.

OECD (2013). Education at a Glance 2013: OECD Indicators. Parijs: Organisation for Economic Co-operation and Development.

Oevering, F. (2010). Demografische krimp. De nieuwe realiteit in perspectief. Utrecht: Rabobank Nederland.

Oevering, F. (2013). Kleiner sturen met grotere gemeenten. Utrecht: Rabobank Nederland.

OneWorld (2012). De gezondheidsparadox: De wereld wordt gezonder én zieker. Nummer 10, december 2012, p.6-7.

Rabobank (2013). Kwartaalbericht woningmarkt, juni 2013.

Rutten, W. (2012). Parkstad en de naweeën van het mijnbouwverleden. De volksgezondheid in sociaal-historisch perspectief.

Stegeman, H.W. en R. van de Belt (2013). 3%: een beperkte sociaaleconomische agenda. Mejudice, 16 juni 2013.

Time Magazine (2011). "10 Ideas That Will Change The World". Time. March 17, 2011.

TNO (2013). Kansen voor een Circulaire economie, TNO 2013 R10864, TNO: Den Haag.

UWV (2012). Regionale arbeidsmarktschets 2012. Arbeidsmarktregio Haaglanden.

UWV (2012). Regionale arbeidsmarktschets 2012. Arbeidsmarktregio Rijnmond.

Van de Belt, R. (2012). Moet Nederland Bhutan achterna? Utrecht: Rabobank Nederland.

Zorg Innovatie Forum (2009). Masterplan Zorg voor de Toekomst Noord- en Oost-Groningen.

Websites:

http://usi-urban.nl/themas/

Colofon

Deze Special is een uitgave van het Directoraat Kennis en Economisch Onderzoek van Rabobank.

De in deze publicatie gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt. Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Het Directoraat aanvaardt echter geen enkele aansprakelijkheid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte afkortingen bronnen: CBS: Centraal Bureau voor de Statistiek; CPB: Centraal Planbureau; OECD: Organisation for Economic Co-operation and Development; 

Gebruikte landenafkortingen: CH = Zwitserland; AU = Australië; SE = Zweden; NL = Nederland; DK = Denemarken; US = Verenigde Staten; CA = Canada; IS = IJsland; NZ = Nieuw-Zeeland; BE = België; AT = Oostenrijk; NO = Noorwegen; FI = Finland; UK = Verenigd Koninkrijk; LU = Luxemburg; IE = Ierland; DE = Duitsland; JP = Japan; FR = Frankrijk; EE = Estland; SI = Slovenië; IL = Israël; KR = Zuid-Korea; BR = Brazilië; CL = Chili; IT = Italië; MX = Mexico; PL = Polen; CZ = Tsjechië; SK = Slowakije; GR = Griekenland; PT = Portugal; ES = Spanje; HU = Hungarije; TR = Turkije; RU = Rusland

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwar­taal­bericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers. Deze studies zijn tevens te vinden op onze website: economie.rabobank.com.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666.

U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Auteur: Cynthia Briesen, regionaal-economisch onderzoeker, Kennis en Economisch Onderzoek

Eindredactie: Hans Stegeman, hoofd Nationaal Onderzoek, Kennis en Economisch Onderzoek

Redactie: Rogier Aalders

Productiecoördinatie: Christel Frentz

Graphics: Selma Heijnekamp / Reinier Meijer

© 2013 - Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A., Nederland

Delen:
Auteur(s)
Cynthia Briesen
Rabobank KEO

naar boven