RaboResearch - Economisch Onderzoek

Europa vanuit een mondiaal perspectief

Special

Delen:

Met de eurocrisis die maar voortduurt en de onderlinge verschillen die daarin tus­sen de Europese landen worden benadrukt, kan makkelijk het beeld ontstaan dat de eurolanden elkaar en hun ondernemers niet veel meer te bieden hebben. Het feit dat het economisch herstel van de Grote Recessie langzaam van de grond komt, terwijl de opkomende wereld snel en krachtig is hersteld, versterkt slechts die indruk. Maar Europa heeft meer gemeen dan de lage economische groei van dit moment. Gezamenlijk vormt de Europese Unie de tweede con­su­mentenmarkt van de wereld, blijft het in mondiaal perspectief een zeer wel­va­rend deel van de wereld en wordt het bovendien gekenmerkt door een uitermate gunstig ondernemersklimaat.

Opkomende wereld

Convergentie van de opkomende wereld

In termen van structurele economische groei heeft de opkomende wereld [1] zon­der twijfel de toekomst. Daarvoor hoeft slechts naar het convergentie potentieel en de verwachte groei van de beroepsbevolking te worden gekeken. Heel ruw geschetst beslaat de opkomende wereld mo­men­teel ongeveer de helft van de mondiale economische activiteit, terwijl deze door liefst 82% van de wereldbevolking wordt bewoond. Als op termijn de productiviteit per hoofd van de bevolking convergeert richting de niveaus die in de ontwikkelde wereld worden behaald, dan is dat al voldoende voor een decennia­lange positieve groeistimulans.

Daar komt nog bij dat in de bevolkingsprog­no­ses van de Verenigde Naties besloten ligt dat de groei van de wereldbevolking tussen nu en 2040 juist in de opkomende wereld zal plaats­vinden. De groei van de bevolking van werk­zame leeftijd (15-64-jarigen) wordt voor de opkomende wereld geschat op bijna 30% tussen nu en 2040, terwijl in de ontwikkelde wereld met een krimp van bijna 10% wordt gerekend [2]. In 2040 woont 87% van de wereldbevolking van werkzame leeftijd in de landen die momenteel de opkomende wereld vormen. In combinatie met het hierboven genoemde convergentie potentieel biedt dat voor de komende decennia een enorm perspectief voor aanhoudend snellere groei dan in de ontwikkelde wereld.

De opkomende wereld heeft vooral vanaf het begin van deze eeuw al een aan­zienlijk hogere economische groei gerealiseerd dan de ontwikkelde wereld. Gemiddeld per jaar nam het Bruto Binnenlands Product (BBP) er met 6¼% toe, tegenover 1¾% in de ontwikkelde wereld. Het eurozone BBP nam in dezelfde periode met gemiddeld 1¼% per jaar toe. De aan­hou­den­d snellere groei in de opkomende wereld heeft geleid tot een enorme toename van het eco­nomische gewicht in het mondiale BBP, van 37% in 2000 tot 50% in 2012 (figuur 1). Het economisch aandeel van de eurozone in de wereldeconomie nam gedurende dezelfde periode juist af, van 18¼% in 2000 tot 13¾% in 2012. We leven dus al ruim een decennium in een situatie waarin het economisch gewicht van de opko­mende wereld toeneemt en dat van de ontwikkelde wereld in het algemeen en Europa in het bijzonder afneemt.

Figuur 1: Toename gewicht opkomende wereld

Figuur 1: Toename gewicht opkomende wereld ...

Bron: Internationaal Monetair Fonds

Als we inzoomen op de samenstelling van de groei in de opkomende wereld, blijkt overigens dat deze voornamelijk gedreven werd door de sterke opmars van opkomend Azië. Daar lag de economische groei het afgelopen decennium met 8¼% nog fors boven het niveau dat el­ders in de opkomende economieën werd gere­aliseerd. Van het toegenomen economische gewicht van de totale opkomende wereld werd 10½%-punt, ofwel ruim 80% bijgedragen door opkomend Azië (figuur 2).

Figuur 2: ... vooral een Aziatisch / Chinees verhaal

Figuur 2: ... vooral een Aziatisch / Chinees verhaal

Bron: Internationaal Monetair Fonds

Het mag geen ver­bazing wekken dat China op haar beurt weer de grootste bijdrage leverde aan het toege­nomen economische gewicht van opkomend Azië. Het Chinese aandeel in de mondiale eco­nomie nam met 8%-punt toe, van 7% in 2000 tot 15% in 2012. Het Indiase aandeel in de mondiale economie nam in dezelfde periode ook toe, maar de toename kan met 2%-punt (van 3¾% in 2000 tot 5¾% in 2012) slechts in de Chinese schaduw staan. China en India tezamen bepalen ook volledig het toegenomen economische aandeel van de BRIC-landen [3] (toename van 16½% in 2000 tot 26½% in 2012) in de wereldeconomie. Het convergentie potentieel is er voor de hele opkomende wereld, maar de realisatie ervan die we het afge­lo­pen decennium hebben waargenomen was dus in de kern vooral de convergentie van China.

Voetnoten

[1] ^ In deze tekst hebben we het over de opkomende wereld waar we strikt geno­men de opkomende en ontwikkelende wereld bedoelen.

[2] ^ Overigens geldt voor China dat de bevolking van werkzame leeftijd tussen nu en 2040 naar verwachting afneemt met 13%, dit als gevolg van de 1-kind poli­tiek.

[3] ^ Brazilië, Rusland, India en China.

Ondernemersklimaat

Europa’s welvaart en ondernemersklimaat

Los van het gegeven dat de hoge groei ook binnen de opkomende wereld zeer scheef verdeeld is, geldt dat groei alleen niet alles bepalend is voor de aan­trek­kelijkheid van een land voor ondernemers. Heel ruw gecategoriseerd speelt ook mee of een land voldoende van omvang en welvarend is om een aantrekkelijke afzetmarkt voor goederen en diensten te zijn. Daarnaast is het van belang of het ondernemersklimaat het voldoende interessant maakt om in een betreffend land of regio actief te willen of kunnen zijn.

Aantrekkingskracht Europese welvaart

Het hoge welvaartsniveau in Europa maakt dat dit ook tegen de achtergrond van een snel groeiende opkomende wereld een belangrijke markt blijft voor de afzet van goederen en diensten. De samenstelling van het consumptiepakket heeft na­melijk een nauw verband met het inkomensniveau. Door economen wordt dit verband beschreven aan de hand van Engel-curves, vernoemd naar de Duitse statisticus Ernst Engel die halverwege de negentiende eeuw pionierde in de sys­tematische analyse van het verband tussen uitgaven aan goederen en het inko­mensniveau [4].

Toegepast op de macro-economische analyse van consumptiepatronen in landen, blijkt dat men met toenemende welvaart procentueel een geringer deel van het inkomen aan noodzakelijke goederen als voedingsmiddelen besteed, en een pro­centueel groter deel aan luxe goederen als duurzame consumptieproducten en amusement (Attanasio et al., 2006) [5]. Overigens zien we ook binnen het voed­sel­pakket –door Engel generiek als basisvoorziening bestem­peld– nadrukkelijk patro­nen die structureel variëren met de toename van het inkomen per hoofd van de bevolking (zie box 1) [6].

Box 1: Consumptievoorkeuren veranderen met welvaart

Binnen het voedselpakket bestaat een duidelijk verband tussen de samenstelling van het dieet en het welvaartsniveau. Bij lage welvaartsniveaus worden de dieet­voorkeuren voornamelijk bepaald door de behoefte om een voldoende hoe­veelheid aan energetische waarde te kunnen con­sumeren. Zodra de welvaart een niveau heeft bereikt waarop afdoende in deze be­hoefte wordt voor­zien, gaan aanvullende over­wegingen als voed­selveiligheid een rol spelen. Bij verdere welvaartstoename wordt een gro­ter belang gehecht aan gemak, luxe en genot. Uiteinde­lijk kan het voedselpakket ook na­druk­kelijker worden gericht op de gezondheid van het lichaam.
Deze verschuivingen in dieetvoorkeuren en de samenstelling van het voedsel­pakket hebben ingrijpende consequenties voor de voedsel­pro­ductie- en distributiestructuur, die ook mee ver­schuift met de welvaarts­ontwik­keling (fi­guur 3). Zo hangt voedselveiligheid bijvoorbeeld sterk samen met een reine op­slag en distributie van vers voedsel. En zien we in de verschuiving naar gemaks-, luxe en genotsvoedingsmiddelen dat er in toenemende mate behoefte is aan ver­dere verwerking van voedselproducten in de hoge inkomens­markten. Zo ver­schuift bijvoorbeeld de vraag naar vlees van eenvoudigweg een stuk vers vlees dat zelf verder wordt bereid, naar een voorbewerkt vleesproduct dat enkel nog zelf ge­bakken of gebraden hoeft te worden, via een kant- en klare maaltijd tot uitein­delijk een maaltijd in een sterrenrestaurant. Overigens zijn dit geen nieuwe trends, maar bekende patronen die onze voedselconsumptiepatronen en bij­ho­ren­de productiestructuren continue voortbewegen (Rabobank, 1999).

Het krachtige aan de verschuivende voedselpreferenties, is dat het eenvoudig door te vertalen is naar ingrijpende structuurveranderingen in de bredere eco­no­mie. De voedsel­voorkeuren ont­wikkelen zich namelijk hand in hand met de be­no­digde / vereiste infra­structuur en productie- en distributieketens (figuur 3). Voor wat betreft infrastructuur ontstaat een toenemende behoefte om voedsel over grote afstanden, in korte tijd en veelal in gekoelde omstandigheden te trans­porteren. Dit vergt uiteraard aanzienlijke investeringen in wat de ‘koude keten’ wordt genoemd. Binnen de huishoudens zelf heeft de groeiende behoefte aan gekoelde opslag uiteraard zijn weerslag in de duurzame consump­tie­goede­ren (koel- en vrieskasten).

Figuur 3: Verschuivende consumptie- en productiestructuren

Figuur 3: Verschuivende consumptie- en productiestructuren

Bron: Rabobank

Voor wat betreft de distri­butie wordt voedsel in toe­ne­mende mate uit supermarkten, cafetaria’s en restaurants afgenomen, wat de bijbehorende bouwactiviteiten vereist. Ten slotte is het vooral in de vers-keten van cruciaal belang dat een scherpe organisatorische afstemming kan plaats­vinden om alle vereiste (verse) ingrediënten op de juiste tijd op de juiste plaats te krijgen. Hierover moeten dus afspraken te maken zijn, die moeten juridisch af­dwing­baar zijn en eventuele schade door vertragingen moet kunnen worden verhaald. Dat vereist dus ook een minimale institutionele ontwikkeling [7].

Al met al leiden deze inkomensafhankelijke con­sumentenvoorkeuren er toe dat de om­vang­rijke en welvarende Europese, of meer generiek Westerse, afzet­mark­ten ook bij een lagere groei aantrekkelijk blijven voor de afzet van veel con­sump­tiegoederen. De mogelijk­heid om die­zelf­de consumptiegoederen af te zetten in de op­komende markten kan uiteraard snel toene­men met aanhoudende welvaarts­groei aldaar. Maar we moeten ons realiseren dat de meeste van deze markten van ver moeten komen. Fi­guur 4 toont daartoe de wel­vaartsniveaus van verschillende landen en lan­dengroepen in ver­houding tot de Nederlandse welvaart.

Figuur 4: Gescheiden werelden in welvaartstermen

Figuur 4: Gescheiden werelden in welvaartstermen

Bron: Internationaal Monetair Fonds, Rabobank

We druk­ken het (voor koopkracht ge­corrigeerde) BBP per hoofd van de bevolking uit als percen­tage van het Ne­der­landse BBP per hoofd. De figuur toont dat de opkomende landen nog een enorme inhaalslag te maken hebben in termen van het (voor verschillen in koop­kracht gecor­rigeerde) inkomen per hoofd van de bevolking. Zelfs de imposante opkomst van China sinds 2000 brengt het gemiddelde inko­men per hoofd van de Chinese bevolking op slechts 25% van dat van Neder­land [8]. Anders gezegd kun­nen we vanuit Europa met nauwelijks verholen jaloezie kijken naar de groei­cij­fers in de opkomende markten, maar is het tegelijkertijd weinig aantrekkelijk om hun economische groei te ruilen voor de omvang en welvarendheid van onze afzetmarkten. Dat geldt op dit moment en dat blijft in elk geval de komende decennia nog gelden, zelfs als China erin zou slagen in een tempo door te groei­en zoals het dat het afgelopen decennium heeft gedaan.

Het gemak van zaken doen in en vanuit Europa

Naast de aantrekkelijkheid als afzetmarkt geldt het gemak en de vertrouwdheid van het ondernemersklimaat uiteraard als belangrijk aspect van een land of re­gio. Dit geldt met name ook voor de luxere seg­menten van consumentengoederen, waar doorgaans sprake is van verdere verwerking van producten en nauwer aansluitende pro­duc­tie- en distributieketens. Dat vergt van de ondernemer een investering, verfijnde afstem­ming en het vertrouwen dat wet- en regel­ge­ving niet onvoorspelbaar en frequent verande­ren. Voldoet het ondernemersklimaat hier niet aan, dan kan een markt uiteraard nog steeds interessant zijn om incidenteel zaken mee of in te doen. Maar bij verder gelijke geschiktheid gaat de voorkeur bij duurzame zakenrelaties uit naar omgevingen met een trans­­parant en voorspelbaar klimaat voor onder­nemers.

Figuren 5 tot en met 11 karakteriseren dat moeilijk meetbare ondernemers­kli­maat aan de hand van een zestal indicatoren. Figuren 5 en 7 tonen daartoe de re­sultaten van de jaarlijkse monitor van de Wereldbank die “het gemak van zaken doen” in 185 landen van de wereld in kaart brengt. Dat geschiedt op basis van de regels en procedures voor bijvoorbeeld het starten van een bedrijf, het verkrijgen van financiering en aantrekken van personeel, maar ook het regelen van bouwvergunningen en de mogelijkheid om vanuit het land internationaal za­ken te doen (dit laatste aspect wordt in figuur 8 apart getoond).

Figuur 5 toont het gemak van zaken doen voor landen uit de ontwikkelde wereld op twee meetmomenten; 2010 (op het moment dat de eurocrisis uitbrak) en 2012 (de jongste rangschikking). Twee observaties springen hier heel duidelijk uit. In de eerste plaats bivakkeert het overgrote deel van de Europese en ook van de eurozone landen in het bovenste kwart van de mondiale ranglijst. Grie­ken­land en Italië vormen hierop in negatieve zin een uitzondering met noterin­gen (diep) in de middenmoot. In de tweede plaats is een aanzienlijke verbete­ring zichtbaar in 2012 ten opzichte van 2010 in een aantal van de zwakke lan­den van de eurozone, te weten Griekenland, Italië en Spanje. Wat dat betreft geldt dat onder de druk van de eurocrisis er daadwerkelijk wordt gewerkt aan fundamentele versterking van juist de zwakste schakels van het eurogebied en komt de eurozone op dit vlak sterker uit de crisis [9].

Figuur 5: Europa werkt aan de zwakke plekken ...

Figuur 5: Europa werkt aan de zwakke plekken ...

Bron: Wereldbank, Rabobank

Figuur 6: … goed opgeleide beroepsbevolking …
Figuur 6: … goed opgeleide beroepsbevolking …Bron: Verenigde Naties, Rabobank
Figuur 7: … gemakkelijk zaken doen …
Figuur 7: … gemakkelijk zaken doen …Bron: Wereldbank, Rabobank
Figuur 8: … open karakter …
Figuur 8: … open karakter … Bron: Wereldbank, Rabobank
Figuur 9: … aantrekkelijk innovatieklimaat …
Figuur 9: … aantrekkelijk innovatieklimaat …Bron: INSEAD, Rabobank
Figuur 10: … zakelijke omgang …
Figuur 10: … zakelijke omgang …Bron: Transparency International, Rabobank
Figuur 11: … algeheel concurrerende economieën
Figuur 11: … algeheel concurrerende economieënBron: World Economic Forum, Rabobank

Figuren 6 tot en met 11 vergelijken steeds de rangschikking of scores (indien be­schikbaar) van 12 eurolanden met enerzijds de Verenigde Staten en Japan (donkerblauw, als representatie van de rest van de ontwikkelde wereld) en anderzijds de BRIC-landen en een selectie overige grote opkomende economieën (res­pectievelijk lichtblauw en lichtpaars, als repre­sentatie van de opkomende wereld). Een drie­tal observaties volgt hieruit.

Allereerst doen de eurolanden op basis van deze indicatoren gemiddeld genomen niet of nauwelijks onder voor de VS en Japan en heb­ben ze op elke indicator een aantal landen in de gelederen die met de wereldtop meeko­men.

In de tweede plaats is er in vrijwel alle getoon­de opzichten in de vier Zuid-Europese landen van het eurogebied nog een flinke verbeteringsslag te maken. Zoals figuur 5 reeds toonde, is er in de afgelopen twee jaar al een stevige verbetering zicht­baar geworden, maar de ruimte en noodzaak voor verdere vooruitgang is nog altijd aanzienlijk.

Ten slotte doen de eurolanden het in alle getoonde opzichten gemiddeld geno­men aanzienlijk beter dan de getoonde landen uit de opkomende wereld [10]. Uit­zon­deringen op deze algemene observatie zijn er uiteraard ook. Zo is over het algemeen genomen het verschil tussen (een deel van) de Zuid-Europese landen en de opkomende wereld beperkt te noemen. Dat geldt op alle getoonde aspec­ten voor Griekenland; Portugal, Spanje en Italië sluiten daar in wisselende be­zet­ting bij aan. Daarnaast geldt dat met name Zuid-Korea over het geheel geno­men goed kan meekomen met de getoonde eurolanden. Figuur 12 toont dit over­duidelijk door de zes indicatoren samen te voegen met het welvaartsniveau tot een samengestelde indicator van het ondernemersklimaat. Zuid-Korea laat zich in termen van het algehele ondernemersklimaat moeiteloos vergelijken met de gemiddelde landen van het eurogebied. China, Turkije en Mexico komen op onderdelen goed mee met de eurolanden, maar haken over het geheel genomen slechts aan bij de staart van het eurogebied.

Figuur 12: Goed ondernemersklimaat

Figuur 12: Goed ondernemersklimaat

Bron: Rabobank

Al met al kunnen we op basis van een breed palet aan indicatoren voor het on­dernemersklimaat concluderen dat ondanks de lagere groei Europa een aantrek­kelijke omgeving blijft om als ondernemer in te opereren. De Europese Unie en de gemeenschappelijke munt bieden hierin meerwaarde doordat zij de Europese markten aan elkaar verbinden tot één grote interne markt (zie box 2). Als je internationaal de vleugels uit wilt slaan, dan toont figuur 8 dat je dat vanuit een euroland in elk geval vanuit de regels en procedures bezien prima kunt doen.

Box 2: Het belang van EMU en de Europese integratie
Strikt genomen kan de aantrekkelijkheid van Europa voor ondernemers los worden bezien van de vraag of de eurozone (als een geheel) moet blijven bestaan. Er zijn echter wel minstens twee heel belangrijke dwarsverbanden tussen beide.

Allereerst is de interne markt een bepalende factor voor de reikwijdte van een bedrijf dat zich in Europa vestigt. Met de aanwezigheid van de Europese Unie en eurozone, vestig je je in of pal naast de op één na grootste consumentenmarkt ter wereld. Versnippering door het opsplitsen of laten uiteenvallen van de Europese Unie en / of eurozone maakt die bepalende factor een stuk minder aantrekkelijk.

Daarnaast is het voortbestaan van de interne markt zonder de eurozone op termijn onzeker. Zonder de gemeenschappelijke munt kunnen landen zich in moeilijke tijden namelijk gaan bedienen van concurrerend beleid. De meest opzichtige vrijheid die dan ontstaat is dat een eigen monetair beleid kan worden ingezet om via een zwakkere munt de eigen economie te ondersteunen, (deels) ten koste van andere economieën. De aantrekkelijkheid van dergelijk beleid wordt duidelijk door alleen maar te kijken naar de moeizame en uitermate pijnlijke economische aanpassing van de perifere eurolanden nu zij binnen de muntunie dat eigen monetair beleid niet kunnen inzetten. Tegelijkertijd zal een dergelijk beleid van in feite concurrerende devaluaties (en vervolgens wellicht ook staats steun, subsidies of bureaucratische handelsbeperkingen die het eigen bedrijfsleven een oneigenlijk concurrentievoordeel geven) spanningen opleveren tussen landen die de mate van vrijheid van het economisch verkeer kunnen gaan beperken. In feite is in deze optiek de euro het sluitstuk van de voortgaande Europese economische integratie; valt de euro weg dan zet dat de interne markt en de economische integratie op een hellend vlak.

Voetnoten

[4] ^ De meest bekende wet van Engel is dat des te armer een huishouden is, des te groter het aandeel van het huishoudbudget is dat aan voedingsmiddelen wordt be­steed. Meer in het algemeen schetsen Engel-curves het toe- of afnemend be­lang van bepaalde types producten in het consumptiemandje. Goederen waarvan het belang in de totale beste­dingen afneemt naarmate het inkomen stijgt, wor­den inferieure of noodzakelijke goederen genoemd. Goederen waarvan het be­lang in de totale bestedingen toeneemt naarmate het inkomen stijgt, worden luxe goederen genoemd.

[5] ^ Er is geen algemene theorie die kan verklaren waarom Engel-curves de vorm aannemen die ze aannemen. Engel zelf ging ervan uit dat huishoudens een be­paalde hiërarchie van wensen hebben die de vorm van de curves bepaalt. Naar­mate het inkomen van huis­houdens toeneemt, worden bepaalde voorkeuren ster­ker zichtbaar in de bestedings­patronen. De basisbehoeften in het consump­tiepakket die de bestedingen domineren op lagere inkomensniveaus –waaronder voldoende voeding– raken dan namelijk verzadigd. Een eeuw later beschreef Abraham Maslow een soortgelijke ordening van wensen als een piramide, met de meest basale wensen in de brede basis en de in toenemende mate luxe wensen in de steeds smaller wordende lagen erboven.

[6] ^ Een treffende illustratie dicht bij huis is het eten in restaurants; het feit dat we bereid zijn in onze basisbehoefte van voeding te voorzien in bijvoorbeeld een driesterren­restaurant, geeft aan hoe ook binnen onze voedseluitgaven scherp onderscheid bestaat tussen wat we aan basisinvulling aan deze behoefte nodig hebben en wat we er voor ons eigen genot aan luxe-invulling aan wensen te geven als het inkomen dat toestaat.

[7] ^ Het Financieele Dagblad (2013) haalt in deze context ‘the total cost of ow­ner­ship’ aan. In dit denkkader worden naast de loonkosten ook transport, coördi­na­tie- en organisatie­kosten meegewogen in de beslissing van offshoring van pro­duc­tie naar opkomende landen, of juist reshoring naar de thuismarkt.

[8] ^ Waarbij meteen opgemerkt moet worden dat er een snel groeiende groep (puissant) rijke Chinezen is die zich van de meest luxe Westerse producten bedient. Hoewel die welvaart binnen China zeer scheef is verdeeld –tussen ste­delijke gebieden en het platteland even­goed als binnen de stedelijke gebieden– maakt de grote absolute omvang van het aantal nieuwe rijke Chinezen dit seg­ment nu al tot een interessante afzetmarkt van bijvoorbeeld Duitse luxe auto’s.

[9] ^ Er is geen score beschikbaar voor het gemak van zaken doen, enkel de ran­king. In de genoemde landen is er aanwijsbaar beleid ge­voerd dat het gemak van zaken doen heeft verbeterd. Verschuivingen in de top van de rang­lijst zijn zijn minder goed te duiden. Daar zijn de absolute verschillen waar­schijn­lijk slechts gering, zodat kleine wijzigingen tot grote verschuivingen kunnen leiden.

[10] ^ Vanzelfsprekend maken hoge scores op de mondiale innovatie index de eurolanden niet automatisch tot innovatieve en vooral dynamische economieën, maar het feit dat intellectueel eigendom relatief goed is beschermd, is voor innoverende bedrijven uiteraard wel van belang.

Conclusie

Als we er in de eurozone in slagen om de crisis het hoofd te bieden en er met de eurozone bijeen doorheen komen, dan blijft Europa zelfs bij structureel lage(re) groei aantrekkelijk om zaken te doen. Gezamenlijk vormt de Europese Unie de tweede consumentenmarkt van de wereld, blijft het in mondiaal perspectief een uitermate welvarend deel van de wereld en wordt het bovendien gekenmerkt door een gunstig ondernemersklimaat. Het is en blijft gemakkelijk en aantrek­kelijk om zaken te doen zowel in als vanuit Europese landen.

Verwijzingen

Attanasio, O. P., E. Battistin en A. Leicester (2006), "From micro to macro, from poor to rich: consumption and income in the UK and the US," Paper prepared for the National Poverty Center conference on “The Well Being of Families and Children as Measured by Consumption Behavior” May 4-5, 2006 at the Capital Hill-Hyatt Regency Washington, D.C.

Het Financieele Dagblad (2013), “Steeds meer bedrijven halen hun productie terug uit lagelonenlanden,” 5 augustus 2013.

Rabobank (1999), World Food Markets: Market trends and driving forces for international food companies.

Colofon

De in deze Special gepresenteerde visie is mede gebaseerd op gegevens uit door ons betrouwbaar geachte bronnen, waaronder Reuters EcoWin. Deze bronnen zijn op zorgvuldige wijze in onze analyses verwerkt.

Overname van de inhoud met bronvermelding is toegestaan. Het Directoraat aan­vaardt echter geen enkele aan­sprakelijk­heid voor het geval dat de in deze publicatie neergelegde gegevens of prognoses onjuistheden bevatten.

Gebruikte landenafkortingen: AT = Oostenrijk; AU = Australië; BD = Bangladesh; BE = België; BR = Brazilië; CA = Canada; CH = Zwitserland; CN = China; DE = Duits-land; DK = Denemarken; EG = Egypte; ES = Spanje; FI = Finland; FR = Frankrijk; GB = Verenigd Koninkrijk; GR = Griekenland; ID = Indonesië; IE = Ierland; IN = In¬dia; IR = Iran; IS = IJsland; IT = Italië; JP = Japan; KR = Zuid-Korea; LU = Luxem¬burg; MX = Mexico; NG = Nigeria; NL = Nederland; NO = Noorwegen; NZ = Nieuw Zeeland; PH = Filipijnen; PK = Pakistan; PT = Portugal; RU = Rusland; SE = Zwe¬den; SG = Singapore; TR = Turkije; US = Verenigde Staten; VN = Vietnam.

Deze informatie kunt u ontvangen door een mail te sturen naar economie@rn.rabobank.nl onder vermelding van ‘KEO Kennismail’. Hierdoor wordt u op de verzendlijst geplaatst van de gratis digitale nieuwsbrief van Kennis en Economisch Onderzoek die tenminste eens per maand uitkomt. In deze nieuwsbrief zijn links te vinden naar het Economisch Kwar­taal­bericht, maar ook naar alle andere publicaties van onze medewerkers. Deze studies zijn tevens te vinden op onze website: economie.rabobank.com.

Voor overige informatie kunt u bellen met Kennis en Economisch Onderzoek via tel. 030 - 2162666.

U kunt ons ook bereiken op het volgende e-mailadres: economie@rn.rabobank.nl

Redactie: Michiel Verduijn

Productiecoördinatie: Christel Frentz

© 2013 - Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A., Nederland

Delen:
Auteur(s)
Allard Bruinshoofd
Rabobank KEO
030 21 62666

naar boven